is toegevoegd aan uw favorieten.

Rapport van den Onderwijsraad in zake de beteekenis van de bioscoop als leermiddel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

evenals het zooeven genoemde denkbeeld, grootendeels voort uit een verkeerd inzicht in de waarde van den schoolbioscoop, alsmede uit een verkeerde schatting omtrent hare aanwending. Zoowel hij, die zegt, dat aan de filmlessen zekere genoemde ongunstige gevolgen noodwendig verbonden zijn, als hij, die in elke school eene installatie wil hebben, doet het voorkomen, of wil het doen voorkomen, alsof door de voorstanders bedoeld wordt telkens, ik zou haast, zeggen onophoudelijk, filmlessen te doen geven.

Niets is minder waar dan dat. De schoolbioscoop is slechts oen aanvullend leermiddel, wiens voortreffelijke diensten voor speciale doeleinden naar mijne meening onontbeerlijk zijn. Lang niet alle leervakken en zelfs niet alle onderdeelen van de meer speciale „aansehouwingsvakken" komen voor behandeling met de schoolbioscoop in aanmerking. Deze vindt haar bijzondere verdienste in het laten observeeren van belangrijke bewegingen. Zij heeft dus geenszins de bedoeling — mag die niet hebben — om de andere aanschouwingsmiddelen uit de school te verdringen, doch slechts om het aantal aanschouwingsmiddelen met een goed middel te vermeerderen.

Het is dus ook absoluut niet noodig, om eiken dag of zelfs maar elke week een filmles te geven. Het wil mij voorkomen, dat eens per maand voldoende is, om te voorzien in de speciale behoeften, waarvoor de Schoolbioscoop dient te worden aangewend.

De voorstanders van de Schoolbioscoop, die zeer goed weten, dat eene éénzijdige aanschouwing, alleen door het gezichtsorgaan, uit den booze is, hebben dus geenszins de bedoeling, de andere zintuiglijke waarnemingen te verdrijven of zelfs maar te verminderen. Integendeel, zij zijn van het groote belang daarvan volkomen overtuigd.

Doch er zijn nu eenmaal tal van kennis-objecten, die slechts langs den weg van oor en oog het eigendom van den leerling kunnen worden. Voor zoover het op zien aankomt, komt de wandplaat het eerst in aanmerking of nog liever het voorwerp zelf.

Doch waar het er om gaat, en dat is bij het onderwijs meermalen het geval, om het leven en de beweging te doen zien, daar is men vaak op de film aangewezen.

Het gaat dus om het zien. En om nu te zorgen, dat de leerling ook werkelijk al datgene zien zal, wat de docent onder zijn aandacht heeft willen brengen, is het noodig, dat er iemand' aanwezig is, die de film door en door kent, om .telkens een en ander aan te wijzen, of er de aandacht op te vestigen.