is toegevoegd aan uw favorieten.

Hoe onze vaderen zich moesten behelpen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

Koos Bronkhorst, die oproerige libellen drukte en Holtus, de smokkelaar, beiden dienden zij in het oog te worden gehouden. Misschien de eerste nog het meest. Want die vloekwaardige libellen tegenwoordig! Die vergiftigden het volk.

„Ge hebt toch Aan het volk van Nederland wel gelezen, erntfeste vriend?" vroeg dominéHofstede.

„Ik vond het libel in mijn tuin," antwoordde Burgemeester v. d. Heym klagend.

„Het is een helsch libel en ik vloek zijn afschuwelijken maker," wond Hofstede de Groot zich op. „De Heeren Staten hebben wijselijk en. godvruchtig op dat afgrijselijk boekje, 't welk door meer dan zeven kwade geesten schijnt uitgeblazen te zijn, een premie van 14000 guldens gezet, maar men badineert er mee. 't Is ten huidigen dage opnieuw herdrukt.

„Het roept de Burgers van iedere stad te wapen om, wanneer de kans zich opdoet, het bloed van Oranje en alle Oranjegezinden te tappen."

„Maar eer ze zoover zijn," dreigde burgemeester v. d. Heym. „Ik zal hier in den Raad Caarten en Elzevier en Hubert en de Monchy staan !"

„De boosheid is tot eene gruwelijke hoogte geklommen!" met deze klacht klom dominé Hofstede de Groot den hoogen stoep af van het Burgemeestershuis.

Burgemeester v. d. Heym stond hoofdschuddend bij zijn schrijftafel. Dat zaakje van Holtus en Bronkhorst moest voorzichtig aangepakt worden. Hij zou die groote heeren dwingen Holtus in het oog te houden. Diens zwakke plek was het „smokkelen". Daar moest hij op betrapt worden. Daarin kon de collecteur1) Crooswijk hem van dienst zijn!

l) Belastingambtenaar.