Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

ver van het vuur stond een potsierlijk uitgedost heerschap van middelbaren leeftijd, op het hoofd een groenen hoed waarop met rood lint witte veeren waren gebonden, groene banden om de roode kousen, die tot onder zijn blauwe broek waren opgetrokken, en gele nestels en opslagen aan zijn bruinen rok. Hij had slechts een mes in den gordel, zwaaide vroolijk een fluit in de lucht, en zong het lied verder, dat allen zoo zichtbaar vermaakte. De mannen klapten daarbij in de handen, sloegen met messen en degens de maat, zongen behoorlijk het refrein mee en lachten als dollen om de vermakelijke gebaren van den zanger. Twee beproefden hem op luiten te begeleiden.

„Reizende studenten!" zei het meisje binnensmonds.

„Wie heeft vandaag de gans geschoten?" vroeg een hunner, die bij 't vuur stond.

„Wie anders dan Lippold Kordes?" was het antwoord. „Of vanwaar komt het droge hout, dat zoo lustig brandt?"

„Leute vond in den bakoven een paar scherven toen hij naar brood zocht."

„En de wip vond brood toen hij naar scherven zocht."

Een zeer lange jonge man rekte zich uit en zwaaide hoog aan een stok een paar worsten, terwijl hij riep: „het beste heb ik geschoten."

Eenigen sprongen om hem heen in de hoogte ten einde een worst te grijpen, tot het lustige stoeien daarmee eindigde dat allen in 't zand vielen.

Het vroolijke tooneel had de aandacht van het meisje zoo geboeid, dat zij er niet op lette hoe het paard voortdurend stampte en snoof. Toen zij eindelijk zich omkeerde, vond ze haar weg versperd door twee jonge mannen die haar vrijmoedig aankeken. De een zei:

„Dat luistervinkje daar, ha, ha! est praeda amoenissima"')

en de andere:

„Det centum oscula2)

dat luistervinkje daar, ha, ha!"

') Is een allerliefste bult.

2) Laat ze honderd kusjes gevea.

Sluiten