is toegevoegd aan uw favorieten.

Donker geluk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de groote plassen vielen trage druppen. Er was iets verzadigds, looms in de atmosfeer, de regen viel vermoeid en zachtjes neer als de laatste tranen na een lange huilbui. In de wijde plassen lag het rood van de lucht.

„Dag. ..," zei Machteld vaag.

„Dag, wel thuis."

Machteld liep snel, als vroolijk en licht, zonder gedachten. Al langzamer viel de regen, hier en daar hupte op de plassen een groote bel als een glazen kooitje en brak... . Machteld's tred vertraagde. Een gedachte bewoog in haar als een vleugellam vogeltje dat zich niet oprichten kan. Voor een winkel met kruidenierswaren stond ze stil, haar lippen bewogen zacht. Nu stond één gedachte strak-omlijnd: dat ze bij hem, bij Martin geweest was.... Dit was de onverwachte vervulling van een lang gekoesterden wensch.... Zij drong dit

naar voren. Maar het leek vreemden onwezenlijk

zij wou zich aan die gedachte verwarmen, maar zij bleef onbewogen —> Stil liep ze verder.... Toen ze een hoek omsloeg zag ze een klein, wit poedelt je met een lichtblauw lintje om. Het was het hondje van een der buren. Ze riep —• het dier kwam dribbelig achter haar aanloopen —> maar stond telkens zenuwachtig stil, één pootje beverig opgetrokken. Ze pakte hem op en droeg hem op haar arm naar huis, nam hem even mee naar binnen. Het diertje wekte algemeene, verteederde bewon, dering. Het beefde stilletjes op Machteld's arm.

86