is toegevoegd aan uw favorieten.

Weeldedrang

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

en beleefd vroeg of het mevrouw niet hinderde, antwoordde zij met een lieve, beschaafde stem:

„O, in 't geheel niet, het is zulk verrukkelijk weer." Ja, dat was het, heerüjk blauw spande zich de strakke hemel. In groene weilanden, door kleine slootjes als breede, zilveren linten doorsneden, graasde het vee. Soms trok een troep kleine, grappige biggetjes aan haar oogen voorbij, of zag zij de dartele sprongen van een veulen. Een groote eend zwom in het slootje langs den spoorweg, een heele rij donzige, gele kleintjes achter haar aan. In de boomgaarden bloesemden de boomen, het was alles een wonder van rose en witte pracht.

Carla voelde zich niet meer bedroefd, de bui was over. Zij keek naar de dame tegenover zich. Zeker heel mooi geweest, dat kon je nog zien, zij was heelemaal in 't zwart, maar zoo elegant, zoo deftig, als ze daar moe eens bij vergeleek in haar zondagsche zwarte japon. Naast haar op de bank lag een reistasch van donkerbruin juchtleer met een paar initialen in zilver en een kroontje daarboven. Dus van adel. Carla brandde van verlangen om haar eens aan te spreken, maar dat ging niet, zij moest wachten tot mevrouw notitie van haar nam. En dus zat ze heel stil naar buiten te kijken; in haar avontuurlijk zieltje de kansen overwegend of de kennismaking met die aristocratische reisgenoote misschien iets zou beteekenen in haar volgend leven.

Plotseüng kleurde een allerliefst blosje haar wangen,