is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag aan het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

Ten aanzien van den in de laatste jaren gebleken achteruitgang van LW. en HW. tusschen de hoofden 21 en 28 en tusschen de hoofden 34 en 35, als uitzondering op den overigens van 1898 tot 1916 algemeen bes taanden evenwichtstoestand van het natte strand, doet zich de vraag voor of daarvoor eene oorzaak is aan te wijzen. Kan het een gevolg zijn van nadeelige inwerking op het strand door veranderingen in den toestand van den onderzeeschen oever doordat toenemende diepten het strand zqh genaderd?

Wy raadplegen daartoe de peilkaarten (bijlage D) en de grafische voorstellingen van den onderzeeschen oever in 1915 en 1916 (bijlage E\ welke hebben doen zien dat tusschen Terheijde en ket afvoerkanaal bet veranderlijk gebied van ruggen of banken wordt aangetroffen.

Zooals reeds in Hoofdstuk IV in het licht is gesteld, blijkt uit die bijlagen in het algemeen niet van het strand naderende diepten en als wij het vak tusschen de hoofden 21 en 28 in het bijzonder beschouwen, dan wordt ook daar eene in de laatste jaren toenemende of naderende diepte niet gevonden. Banken en geulen, hoewel zich verplaatsende, zijn gebleven en dit is ook het geval met den onderzeeschen oever van hoofd 34 tot hoofd 35. Waar in de aanwezigheid van banken of ruggen veeleer eene bescherming van het strand kan worden gezien, is van den bedoelden achteruitgang op beide strandvakken geene voor de, min vast en het verloop er van in volgende jaren zal de aandacht blijven verdienen.

Zooals ons is medegedeeld en zich gereedelijk laat aannemen, wordt aan Delfland's strand ervaren dat het verlagen en verdwijnen van een bank gewoonlijk gevolgd wordt door strandverlaging.

Het is daarom zeer waarschijnlijk dat eene verlaging van het strand zich zal hebben voorgedaan in verband met het verdwijnen van de bank benoorden hoofd 11 volgens de kaart van 1910 '(bijlage D), toen de dieptelijn van 40 d.M. -=- DP. eene inscharing 'had gemaakt tusschen de hoofden 11 en 21, naderende het meest de hoofden 17 en 18. Wèl ging die dieptelijn blijkens de kaarten van 1911 en 1914 weder zeewaarts, maar de bank, welke tevoren op de kaart van 1904 was aangetroffen, kwam eerst in 1915 weder te voorschijn. Om na te gaan of inderdaad eene strandverlaging aldaar is samengegaan met de verlaging en de afwezigheid van de bank, hebben wij de betrekkelijke bladen van het tabellarisch overzicht enz. (bijlage K) op te slaan. Vermits de inscharing het meest de hoofden 17 en 18 nabij kwam, beschouwen wij het blad voor raai 18—17 en de bladen voor 2 raaien zuid- en noordwaarts daarvan, in het geheel alzoo de 5 bladen: raai 16—15, raai 17—16, raai 18—17, raai 19—18 en raai 20—19 (x). Waar de bank op de kaart van 1904 tusschen lijnen van 30 d.M. diepte (-4- DP.) is aangewezen, zullen wij bij mindere diepten de bank nog als aanwezig en bij grootere diepten de bank als niet bestaande beschouwen.

In 1905 wordt de bank óf niet meer onderkend (raaien 16— 15, 1?—16 en 19—18) óf wat verder zeewaarts gezien (raaien

(i) Op deze bladen gaan de gepeilde diepten verder in zee dan op de overige bladen van bijl. K, namelijk tot 400 M. in plaats van 300 M. uit de strandpalenlijn, ten einde hier een ruimer overzicht te geven.