Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

bestaat uit een kern en twee mantels, de buitenste bestaat uit spons- of waterweefsel; de cellen daarvan zijn dunwandig en hebben hun protoplasma verloren; door openingen kunnen ze water in zich opnemen en dit langen tijd vasthouden. Soortgelijke cellen vinden we in de bladen tusschen de bladgroenhoudende cellen.

Een tweede bijzonderheid, die hier beteekenis heeft, vinden we in de vertakking. Telkens om de bladen vinden we een bundel takken, waarvan sommige, naar beneden buigende, zich tegen den stengel aanleggen, andere zijdelings uitstaan. Door de naar beneden gebogen takken wordt het water capillair vastgehouden en naar het waterweefsel gevoerd.

Als derde punt noemt Spr. den steeds doorgaanden groei in bovenwaartsche richting. Elk jaar komt er een verdieping bij, het onderste deel van den stengel met blad verandert geleidelijk in een bruine massa. Uit deze drie eigenaardigheden laat zich gemakkelijk verklaren, waarom een veen in het midden het hoogst is. Een ander gevolg is, dat door de groote vochtigheid de overige plantenwereld verdwijnt, voor zoover ze zich door een etagegroei niet aan de gewijzigde omstandigheden hebben aangepast.

Deze hoogst interessante voordracht, die een voor velen nieuw onderwerp op de meest duidelijke wijze behandelde, vond eveneens levendigen bijval. Aan de discussie werd deelgenomen door de heeren van der Lijn, Grutterink, .Schuiling en van der Sleen: Vooral werd hierin aandacht geschonken aan het vraagstuk van de al of niet schijnbare helling van het veen in verband met den plantengroei.

De voorzitter legt daarna nog eens den nadruk op de nieuwe gezichtspunten in de lezing van den Heer Schuiling en sluit daarna de vergadering.

VRIJDAG 2 MEI. Vertrek van EMMEN te acht uur.

Het weer is bedroevend slecht.

Door de „EMMER-DENNEN" met hun groot hunnebed, ging op 2 Mei de tocht over den HONDSRUG, die hier aan het voetpad in een kuil zijn Zuidelijk diluvium dicht

Sluiten