is toegevoegd aan uw favorieten.

De roman van een kleuter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

optrekken?" vraagt moeder. Ja, chadijn tikka, icht klinkt het verlossend '\ uit z'n mondje. Chadijn moet opengetrokken worden. Het chadijn beheerscht nu aanstonds het heele terrein van z'n bewustzijn. Het voorwerp is ontdekt! Leve het voorwerp! Keesje is zich nu toch langzamerhand bewust geworden, dat er verschil is tusschen chooi da baj (ik gooi den .bal) en chaat a oed (daar gaat de hoed). In het eerste geval gaat z'n aandacht vooral naar den bal, daar is het hem om te doen; en in het tweede geval let hij vooral op het bewegen, het gaan van z'n muts. Als het z'n kous, z'n schoentje of z'n beertje was geweest, zou het spel.op de draaitafel even prettig geweest zijn. Daarom is chaata hoed eenzelfde constructie als kache fuita. Maar bij chooi de baj gebeurt er heel wat anders. Chooi is hier de bewegelijke jongen. De rustige houdt hem staan, pakt hem vast en.... springt op z'n rug; Da baj is baas, en chooi is de ondergeschikte. Zoo was ook chadijn baas, en tikka de ondergeschikte. Nu heeft dat baas spelen z'n grenzen.

ia r- *»■■-«- De ondergeschikte heeft toch eigenlijk den baas heelezy. ijrammatiscne , . .. , . ... . . , « , .. .,

onderschikking. maal ™ zijn macht; hij draagt hem waarheen hij wil, en gehoorzaamt slechts zoolang als hij zelf wil, zoodat men van een ander standpunt gezien de namen ook zou kunnen omkeeren. Maar voor het toekijkende Keesje is de hoogzittende baas toch de voornaamste, en de ander die er onder loopt interesseert hem veel minder (Fig. 9). Want of Keesje een molen, een huis of z'n zoeta moena ziet, maakt een groot verschil; maar of hij den molen ziet, bekijkt, aanwijst of hoort, daar let hij bijna niet op. Het voorwerp is de ruiter die rijdt op het gezegde.

Van het zelfde soort komen er nu kort daarop meer W. oor werp en voorDeelden. Vooral ééne reeks spreekt heel duidelijk: bepaling van een £ ? u • j- • 11 ■ * L

infinitief nog niet stnna P***3 f"ir' sinna adi, sinna koekoe, opop sinna, tatta gescheiden. sinna. Hier vooral is het heel duidelijk dat het hem niet

zoozeer om het sinna (zingen), als om het bepaalde liedje te doen is. Maar ook fesja uika (aan 't fleschje ruiken) chas Zoopa (over 't gras loopen) asja koem (wasschen in de kom) zakkoet poetsa (met een zakdoek poetsen) roof a sjitta (op den schoot zitten) verkeeren voor Keesje in precies hetzelfde geval. Van een verschil tusschen voorwerp en bepaling is bij hem tot hier toe nog niets te merken.

_ Al spoedig echter worden deze voorwerpsconstructies

wórdt^onder- met een 9eroePen Daam gecombineerd. We zagen al hoe werp het eerste voorbeeld het beste, datta tikka, ingeleid werd

met moena. Toen er 's morgens bij het wasschen wat water tegen z'n been spatte, riep Keesje: moena! been ofvegaï En toen bij kort daarop een koekje wou hebben, klonk het moena! koeka efa. Nu ziet ieder aanstonds, dat als die woorden gauw achter elkander uitgesproken worden, de vocatief moena vanzelf in een onderwerp overgaat. Of het

De Roman van een kleuter. Dl. IA - 6

81