is toegevoegd aan uw favorieten.

Elementen en atomen eens en thans

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

81

wereld uitgingen. Terwijl het proces der langzame ontbinding van het Romeinsche wereld-rijk reeds allengs begon jn te treden, was, zooals wij reeds zeiden, daar het knooppunt, waar de Oostersche en Helleensche opvattingen samenkwamen en tot vereffening geraakten, en waar eene geheele richtingsverandering van het denken en gevoelen werd voorbereid. In die onstandvastige, gestadig wisselende en golvende geestelijke atmosfeer, temidden van dat weefsel van Oostersche mystiek en religie eenerzijds, van Helleensche filosofie anderzijds, — was het, dat de alchemistische idee ontsprong en zich begon te ontwikkelen tot eene theorie en eene wereldbeschouwing, welke voorbestemd waren om gedurende lange eeuwen den menschelijken geest in hunnen tooverkring gebannen te houden, en heel het geestelijk leven der latere eeuwen met hunne voorstellingen te doordrenken; en het was daar, in het alexandrijnsche zoowel als later in het byzantijnsche milieu, dat zij den haar kenmerkenden vorm verkregen. Dat daarbij ook de priesterkaste, met name in Egypte, voor de propaganda dier denkbeelden eene leidende rol heeft gespeeld, is wel zeker te achten, evenals het vroeger juist voornamelijk in diè kringen was geweest, dat de beoefening der chemische en pharmaceutische praxis bij uitstek had plaats gevonden. Volgens Zosimus1) waren de Egyptische priesters verplicht om hunne leer geheim te houden, waarom zij dan ook van bijzondere symbolen gebruik maakten. De meineedige adept werd onherroepelijk onschadelijk gemaakt en, — meestal door vergif, — door zijne mede-ingewijden uit den weg geruimd. Maar hij vermeldt dan verder, dat sedert de Joodsche adepten in de heilige kunst waren ingewijd, deze de hun toevertrouwde procédés hebben verraden. Zeker is het wel, dat er onder de alchemisten uit het begin onzer jaartelling, vooral in Egypte, tal van Israëlieten geweest zijn (Maria Judaica bijv.); de mannelijke vertegenwoordigers worden gewoonlijk als pseudo'M. o z e s onderscheiden.

Bij Johannes den Aartspriester2) wordt vermeld, dat de ge-

J) Zosimus, Fragm. III. 51, Collection Berthelot, (1888), I, p. 233. Maria udaica moet vóór Zosimus geleefd hebben; wellicht omstreeks 250 na Chr.

'-) Johannes de Aartspriester, „CWr de goddelijke Kunst. VI. 3. 11; Collection Berthelot (1888), I, p. 253. Ook -Manetho (Apotelesm. 5. 93, Ed. (1832) en Jamblichus, {De Myst. Aegypt.), spreken reeds over deze orrjlaï.

De Egyptische priesters vereerden bij hun chemischen arbeid den maangod Thoth als schutspatroon en uitvinder der hiëroglyphen; men vindt o. a.' tal van magische en mystieke uitingen, waarin de vier letters van zijn naam met de vier elementen in verband gebracht worden. Een dergelijke beschermer van de beoefenaren der occulte wetenschappen was ook Imhotep, zoon van den Memphischen god Ptah., Imhotep speelde bij de Egyptenaren later eene dergelijke rol als Asklepios bij de Grieken. Zie: A. Erman, Die Aegyptische Religion, (1905), p. 174. Over den

Jaeger, Elementen en Atomen Eens en Thans. 2e druk. 6