Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 10 —

was hij alleen hoogleeraar, van 1824—1851 tevens directeur der nieuwe inrichting.

Laat ik nagaan waarin Numan's werk bestond, wat hij tot stand bracht en welke omstandigheden zijn werk, zijn school, bijna te gronde lichtten.

Als docent behandelde hij „ziektekunde, uitoefenende veeartsenijkunde, gerechtelijke veeartsernjkunde, therapie, gezondheidsleer", later ook paardenkennis, Verder gaf hij een groot aantal practische lessen aan den ziekenstal. De geheele veeartsenijktede was dus in zijn handen. Als men bedenkt, dat Numan geen veeartsenijbÉtndige opleiding genoot, niet diergeneeskundig geschoold was, dan blijkt Welk een niet te volbrengen taak hem hier op de schouders werd gelegd en dit in een tijd, waarin goede handboeken, goede tijdschriften ontbraken en wéinig literatuur bestond, welke daarbij nog moeilijk toegankelijk was.

Numan verzamelde een collectie-preparaten, die den groridslag legden voor het pathologisch kabinet, dat spoedig gesticht werd. Hij bouwde een ziekenstal, behandelde daar de patiënten, gaf daar klinisch onderwijs.

Het onderwijs was in hoofdzaak theoretisch, bestónd vooral in voorlezingen, terwijl het practisch onderricht maar weinig omvattend was.

Vooral op het gebied der veeteelt meende Numan te moeten werkzaam zijn en hier experimenteerde hij, wilde hij resultaten bereiken, waarvan ook de omgeving, ja het geheele land, zoude kunnen profiteeren.

Voor de verbetering van het paard, het rund en het varken toonde hij-door het nemen van verschillende kruisingsproevën belangstelling.

; Het meest hield ; hij zich echter met de schapenteelt bezig. iH$ ««beproefde kruising met de toen nog nieuwé Btfgel6che vroegrijpe vleeschrassen, ten einde onze polder- en heideschapen meer in de vleèschrichting te ontwikkelen. Bij het verkrijgen van gunstige resultaten wilde hij fokdieren leveren aan hen, die in de practijk*«jne ervaringen wenschten toe te passen. Deze proeven, bescheiden begonnen, zijn spoedig proefnèmingen öp betrekkelijk groote schaal geworden.

Vooral in 1835, toen de schapen uit de Rijksschaapsküdde te Seraing, 115 stuks, naar Utrecht werden overgebracht, namen de kruisingsproevën «zulk een omvang, dat in de gemeente Zeist heidevelden werden gehuurd en zelfs«door den Administrateur der Domeinen een groot terrein heideveld werd afgestaan, waarop •Stallen, werden 'gebouwd en de Söuthdownküdde werd gehouden. In 1841'bestonden de schaapskudden der veeartsenijschool uit 325 stuks en gedurende de laatste jaren werden herhaaldelijk fokdieren afgestaan voor onderscheiden provinciën.

Wij zullen nader zien, hoe echter aan deze op vrij groote schaal genome» proeven plotfeeiing een eind werd gemaakt.

Bij Numan kwam met het verkrijgen van de tfeideVelden de neiging voorden dag om zich ook-op landbouwgebied te gaan bewegen

Sluiten