Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE OPKOMST DER STAD.

Amsterdam is een betrekkelijk jonge stad. Op andere plaatsen gebeurt het herhaaldelijk, dat men niet alleen bij het sloopen van de hedendaagsche huizen stoot op het puin der Middeleeuwsche stad, maar ook dat men, dieper gaande, overblijfselen vindt die aan de Romeinen herinneren; in enkele gevallen stoot zelfs de spade op de urnen en de ruw bewerkte steenen voorwerpen uit nog veel vroegere tijdperken,

Anders te Amsterdam. In het veenland, waardoor de Amstel zich kronkelde, was'bewoning eerst mogelijk, toen kunstmatige ophooging of bedijking den mensch in veiligheid stelde voor het water. Van Romeinsche vestiging is geen spoor, evenmin van bewoning in «de vroege Middeleeuwen; eerst tegen het eind der dertiende eeuw blijkt er aan den mond van den Amstel een plaatsje te üggen.

Wat de oudste geschiedenis van dit laatste betreft, staan we voor het eigenaardige geval, dat de kennis daarvan na het scherpzinnig historisch onderzoek der laatste jaren belangrijk is

verminderd. Wisten we ook sedert lang, dat we in Vondels Gijsbrecht sledrts een zeer onzuiveren naklank hooren van wat hier werkelijk moet zijn voorgevallen, daar de dichter met dichterlijke vrijheid zijn dertiende-eeuwschen held doet optreden in het Amsterdam der zestiende eeuw, toch vertrouwden we geheel op wat daarvoor in de plaats was getreden, het geschiedverhaal van Jan ter Gouw. We meenden het zoo heel zeker te weten, hoe Gijsbrecht II na de verwoesting van aijn slot te Ouderkerk door de Kennemers in 1204 dit weer opbouwde aan den linkeroever van den Amstel, waar hij niet alleen den riviermond kon beheerscha» maar tegelijkertijd het dorpje, dat aan den overkant was ontstaan, onder zijn bescherming

Sluiten