is toegevoegd aan uw favorieten.

Goden en grenzen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een kader trok ik heen om de eigen tijden, Een omtrek schreef ik voor aan dit mijn leven, Een vaste vorm omving de golf verlangen Die maatloos oprees vol Van nacht en klagen, JVlijn hart verlatend, hunkrend naar de wereld Waar zij alleen kon leven als gestalte.

En vorm na vorm, gestalte naast gestalte,

Stond in dit eene kader van mijn tijden

Dat zelf gestalte was en vorm van wereld,

En in die wereld enkel liep mijn leven,

Zoo blij en krachtig dat ik nooit kon klagen

En schijnbaar nooit het leed droeg van verlangen.

Maar als een zee diep in mij bleef verlangen, Meedoogenloos, een nater van gestalte, — Zoo scheen het soms in pijnlijk-bitter klagen —, Een hand die kloppen leek aan grens van tijden. Dan zwol mijn afgrond uit naar ander leven, Naar ongekende en bandenlooze wereld.

Temidden van mijn vormen-rijke wereld Gelijk een zuil van lava rees verlangen, En juichen deed ik om 't ontbonden leven

117