is toegevoegd aan uw favorieten.

De pensionneering van gemeenteambtenaren en van hunne weduwen en weezen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oxv

III. Financieele gevolgen van de voorgestelde regeling voor den Staat

a. Algemeene beschouwingen.

Vele leden spraken de meening uit, dat zoo groote financieele opofferingen, als de wetsontwerpen voor de Staatskas medebrengen, niet behoo ren te worden opgelegd.

Het gevoelen werd ontwikkeld, dat men ten deze in geen geval verder kon gaan dan tot opoffering der voordeden, die uit de geleidelijke vermindering van den pensioenlast bij bestendiging der bestaande wetgeving voor den Staat zouden voortvloeien. De hierdoor aan de ambtenaren te bewijzen vrijgevigheid, die omstreeks het jaar 1910 een bedrag van ongeveer ƒ 650 000 's jaars zou bedragen, gaat reeds zeer ver en vindt hare rechtvaardiging slechts in den wensch om tot afdoening dezer aangelegenheid te komen. Tot dat einde werd in overweging gegeven het burgerlijk pensioenfonds in stand te houden doch tevens te bestemmen tot voorziening in de pensionneering der weduwen en weezen. Dat fonds zou, behalve door de daarin reeds aanwezige gelden, tot uitbetaling der pensioenen in staat gesteld moeten worden:

i°. door afloopende en doorloopende kortingen van de ambtenaren te heffen;

20. door de renten van het saldo van het weduwenfonds voor de geëmployeerden tot het algemeen bestuur behoorende, wdk fonds, evenals de beide andere bestaande weduwenfondsen, voor verdere deelneming zou zijn te sluiten;

3°. door de opbrengst der leges, voor zoover de heffing gehandhaafd mocht blijven;

4°. door eene bijdrage uit de schatkist, jaarlijks zooveel bedragende als van de voor het loopende jaar voor pensioenen aangevraagde som van ƒ 1 222000 vrijvalt; die som ware telken jare als een fixum op de Staatsbegrooting te brengen, maar zou voor een deel moeten blijven dienen tot betaling der pensioenen die de Staat in 1873 voor zijne rekening genomen heeft. Van de ambtenaren zou, behalve eene afloopende korting op den bestaanden voet, bij wijze van doorloopende korting zooveel geheven moeten worden als noodig ware om de uitkeering van de pensioenen van de ambtenaren en van hunne weduwen en weezen te verzekeren. Mocht in vervolg van tijd blijken, dat de bepaalde bijdragen niet toereikend waren, dan zouden die moeten worden verhoogd of desnoods het bedrag der weduwen- en weezenpensioenen verminderd moeten worden.

Op de gemaakte tegenwerping dat bij zoodanige regeling van de ambtenaren bydragen zouden moeten worden gevergd, die voor de laag bezol-