is toegevoegd aan je favorieten.

De pensionneering van gemeenteambtenaren en van hunne weduwen en weezen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art, 63.

115

het verleden gedaan, zij in hooge mate onrechtvaardig zou handelen.

Wat is hier het geval? Wanneer men voor het vervolg lasten op de gemeente legt, drukken deze op het tegenwoordig geslacht; maar wanneer men het tegenwoordig geslacht lasten oplegt, ontstaan door een verzuim van het voorgeslacht, dan doet men daarmede, naar het mij voorkomt, een groot onrecht.

Ik sprak: van een verzuim van het voorgeslacht, maar de groote vraag is, of het een verzuim is, want vóór 30 jaren dacht niemand er aan, dat iedereen moest gepensionneerd worden. De meening is ontstaan in het laatst der vorige eeuw en in het begin der 20ste eeuw aanzienlijk toegenomen. Ik juich dit toe, maar dan moet men toch niet de lasten, die het voorgeslacht eigenlijk had moeten dragen geheel op het tegenwoordig geslacht leggen. Dit is iets, waartegen ik opkom.

Indien er al een verzuim is, dan komt dit evenzeer voor rekening van de Gedeputeerde Staten en van het Rijk, want het Rijk heeft toch geweten, dat de gemeenten niets voor hare ambtenaren, wat pensioen betreft, deden. Ik bedoel niet de groote gemeenten, maar in het algemeen de gemeenten in ons land. Men dacht er niet aan en wanneer er een verzuim is, dan treft dat ook het Rijk en dit kan dan deze zaak ook niet geheel langs zich heen laten gaan; het moet dan ook wel degelijk zijn aandeel dragen in den last, die aan de gemeenten wordt opgelegd.

Nu heeft de Minister van Financiën gezegd, dat de Staat nog nooit heeft bijgedragen voor inkoop van ambtenaarspensioenen. Dit geef ik toe en wanneer de Minister zich daaraan gehouden had, dan had ik er niets onrechtvaardigs in gezien. Dan zou er natuurlijk van den inkoop van vroegere jaren voor de ambtenaren weinig terecht zijn gekomen, maar dit zou toch niet wegnemen, dat de Regeering consequent was geweest als zij gezegd had: de ambtenaren moeten zelf maar zorgen voor inkoop van hun eigen pensioen. Maar dat doet de Minister niet. Hij legt den last op de gemeenten en steekt geen vinger uit om de gemeenten eenigszins te steunen; hij laat eenvoudig alles door de gemeente betalen.

Nu heeft de heer Treub dezer dagen er aan herinnerd, dat bij de pensioenregeling van de bijzondere onderwijzers ook door het Rijk is bijgedragen in den inkoop van vroegere jaren, zoodat die inkoop vergemakkelijkt is. Doch dit niet alleen, ook bij het wetsontwerp betreffende de invaliditeits- en ouderdomsverzekering is bepaald, dat het Rijk gedurende 75 jaren ƒ 10.000.000 per jaar zal bijdragen. Dit is ook vanwege een verzuim, n.1. dat men vroeger er niet aan gedacht heeft om deze zaak te regelen.

Wat doet nu het Rijk? Het Rijk zal, en daarvan wordt hoog opgeheven, volgens art. 42 van wetsontwerp II betalen de inkoopsom voor de weduwen en weezen der gemeenteambtenaren, maar dat is slechts schijn, want wat in art. 42 met de eene hand gegeven wordt, neemt het Rijk weder bij art. 43 terug. Volgens laatstgenoemd artikel zal, als de balans een winstcijfer aanwijst, het door het Rijk voorgeschoten geld, dat In 40 annuïteiten zal betaald zijn, terugbetaald moeten worden met een rente van 3% pet. en dat de wetenschappelijke balans een winstcijfer zal geven is zoo goed als zeker, want de berekening is aan den veiligen kant. Het is dus geen opoffering voor het Rijk; het Rijk vormt hier als het ware een spaarpot. Dat wordt nu zoo hoog aangerekend! Het wordt zelfs als een zaak voorgesteld, waaruit toch wel kan blijken, dat het Rijk er