is toegevoegd aan uw favorieten.

Drie grondbeginselen van het geestelijk leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE HOOGMOED

109

gij er anders overdenken en dan zult gij blijde zijn uw geduld te hebben bewaard.

VEERTIENDE HOOFDSTUK

OVER DE HOOGMOED

1. Ziehier de afstamming en de afstammelingen van den Hoogmoed.

Stammoeder der familie is de zelfzucht. De zelfzucht heeft twee kinderen: hoogmoed en zinnelijkheid. De kinderen van den hoogmoed zijn ten eerste de ijdelheid, een flauw en zacht, ietwat onnoozel schepseltje; ten tweede de eerzucht, een onrustige persoon, die door iedereen geëerd wil worden; ten derde de heerschzucht, die voor niemand wil onderdoen en over allen den baas wil spelen, een ware lastpost in de familie, voor wien geen middel, zelfs God niet veilig is. — Allen hebben deze familietrek gemeen, dat zij zichzelf te hoog en onredelijk willen verheffen, meer willen wezen en meer willen schijnen dan zij werkelijk zijn, en meer willen wagen en ondernemen, dan zij kunnen.

Een bijzonder kenteeken van de hoogmoed is de ingenomenheid met zichzelf; alles bewondert hij aan zichzelf en kent zich allerlei voortreffelijkheden toe; vandaar ook de gevoeligheid, welke zich begint te roeren, zoodra eenige waardeering onthouden wordt, bij elke verdenking of terechtwijzing, bij elke vermeende achteruitzetting.

Geen kruidje-roer-mij-niet is zoo gevoelig, als de