is toegevoegd aan uw favorieten.

Het schoone jaar van Carolus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

SINTE-MARGRIETJESFEEST

Na twee, drie toerkens trokken de ouderen zich algauw terug en de jonkheid bleef luchtig dansen, samen met Begijntje Rozemarijn, op de rythmische maat van viool en zang:

'k Heb een wit, wit spfegelken gevó-ón-den, 'k Heb het aan mfjn hérteken gebó-ón-den. Aan mijn hértke mét nen draad, Waar het zéven jaren slaat. Zéven jaar in den ró-on-dé, Hérteke gebó-on-dén.

Van a een,

Van a twee,

Van a drie!

Anna-Liza's stem klonk boven de anderen uit.

Carolus zijn ziel was een vlammenhofken geworden ; er brandden duizend vlamtulpen in van allerhande gouden kleuren.

Als 't liedje bijna uit was en men naar binnen boog, wipte hij tusschen de kaarskens door, draaide eens op de tippen zijner laarzen rond en stond toen vlak voor Anna-Liza stil, gebogen, met den hoed in de hand.

„Door 't vuur, nichtje!" zei hij.

Ze boog terug, liet hem in heur oogen kijken en lachte toen een helderen lach.

Het jubelde in hem lijk een zonsopgang.