is toegevoegd aan uw favorieten.

Het verstoorde mierennest

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXI.

N den ketel begon het water, het fijne ilpfBilIBi piepende geluid van het water, te zingen. l^all^Si Gedachteloos schepte Jonathan Strong löKj|lip^ een Paar spaden vol kolen op het vuur, WiskstesusèMM haalde den haak heen en terug, zonk opnieuw in zijn gepeins.

In een anderen vorm kwam het weer terug.

Want nu zag hij zich als Robinson oud en grijs worden, gelukkig bijna in den stillen eenvoud van zijn leven — want Vrijdag was gestorven — maar zonder vreeze uitziend naar het einde.

De dagen kwamen, de dagen gingen, de boomen droegen hun vruchten, de netten wierpen hun vischoogst uit, de eeuwige zee ruischte eender tegen de rotsen; alles ging in volkomen harmonie door de jaren heen.

Er zou een tijd komen, dat de eenzame balling op zijn eiland, aan het einde van zijn termijn gekomen, sterven moest. Terwijl hij mijmerend op het strand voor zijn hut uitstaarde naar een zeil, zou het zijn. Menschen hadden hem gebracht op zijn eiland, menschen leefden in woelende millioenen over de gansche wijde aarde, zij zouden eenmaal komen en hun boot ankeren in de baai, en zijn gebeente vinden vóór zijn huis.

En zoo was dit gebeente, wachtende op de menschen die het vinden zouden, geen bloote gedachte meer. Het lijk van den dooden man zou er zitten, ingevallen, onttakeld, prooi van vliegen en wormen, in zonhitte verschroeid en verschrompeld, door de stormende zeeën bespat; de winden zouden er kleedingflarden af rukken