Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Het Lentewonder groeide, maar de oude man kwam na dien laatsten avond niet meer buiten, zelfs niet voor het venster om in zijn bloeienden tuin te zien; hy lag in de schaduwige achterkamer op een 'aag bed en wachtte op den dood.

De vrouw met het witte haar, zijn zuster, ging voorzichtig door het huis of zat bij het bed en breide, onder voortdurend zachtjes hoofdschudden. Telkens

keek ze hem vragend aan neen, hij had niets

gezegd.

Hij moest toch iets zeggen, na dat eene groote gebeuren, waarvan zy getuige was geweest. Iemand, die zóó afscheid genomen had van het leven !

Ze voelde opeens een dringende behoefte hem te naderen.

„Wilde je iets zeggen, Reynold?"

Het bleef zoo stil in de kamer, dat ze haar eigen zucht hoorde antwoorden op zijn zwijgen.

Hy had zyn leven lang niet veel gesproken, hy had enkel gedacht en gearbeid; nu hij vlak voor de poort stond en de eeuwigheid óver hem schaduwde, was het woord, dat hem tot het hart der zynen had

kunnen brengen, uit zyn herinnering weggegleden

of misschien lag het zoo diep weggeborgen, dat enkel zyn oogen nog maar wisten te zeggen, wat er in zyn ziel leefde.

Als de zuster voor een oogenblik de kamer verlaten had, keerde de oude man het hoofd wat op zij en keek naar het portret van een vrouw, dat op een tafeltje naast zyn bed stond; zoodra hij gerucht van voetstappen hoorde, wendde hy het hoofd weer af.

Op een Meidag kwamen de drie zoons van den ouden man en zaten in de voorkamer, waar de roode hagedoorn voor het venster stond te bloeien; de gor-

Sluiten