is toegevoegd aan je favorieten.

Rede ter gelegenheid van de onthulling van het monument voor Franciscus Cornelis Donders, uitgesproken in het groot-auditorium der Rijksuniversiteit te Utrecht op woensdag 22 juni 1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

het mij toch nog zijn onderzoekingen over de spraakklanken in herinnering te brengen, onder meer die over den invloed van een medeklinker op een voorafgaanden of volgenden; omdat op die onderzoekingen aan deze zelfde universiteit zwaardemaker voortwerkte, en met hem, de taalkundige gallée voor de kennis van enkele dialecten onzer taal nieuw inzicht zocht te verkrijgen.

Donders had in ongewone mate de gave van onderzoek, scherpe onderscheiding, afzonderlijk stelling van feiten en verschijnselen, onderlinge toetsing; en na afleiding die van herleiding tot verbindend grondbegrip. En dit alles uitgelokt door een verbeeldingskracht, die mogelijkheden bevroedde, aan anderen verborgen.

Maar het universeele, het omvattende, niet in het gespecialiseerde beperkte van zijn geest bracht hem in onze maatschappij.

Hoor donders in zijn openingsrede ter algemeene vergadering in Zwolle in 1857.

„Wanneer uit alle oorden van Nederland geneeskundigen zamenvloeyen en zich vereènigen tot het aankweeken van broederzin, tot bevordering van wetenschap en kunst, tot behartiging ook hunner maatschappelijke belangen, dan ligt in dit alles een nog hooger doel opgesloten: bevordering van het volksgeluk, van de volkswelvaart van Nederland".

Is ooit beter het groote doel onzer maatschappij aan de genees1 kundigen van ons land voorgehouden ? Het naar eenheid strevende beginsel in donders denkvorm, dat overal, van zijn machtigen arbeid uit, ons aangrijpt, kan de taak van het geneeskundig vereenigingsleven niet anders zien dan een die wetenschap en kunst', en volks- en standsbelang als één gebonden doelstelling aanvaardt en nastreeft.

Vinden wij zijn referaten of oorspronkelijke mededeelingen in de verslagen van zijn eigen, Utrechtsche afdeeling onzer maatschappij, evenzeer geven zijn verhandelingen waarde aan de wetenschappelijke sectievergaderingen der eerste jaren, en speuren wij zijn invloed op het gebied van de geneeskundige staatsregeling en op dat van het onderwijs.

Donders, te midden van de grondleggers onzer Maatschappij, dié zelf vooraanstaande geneeskundigen waren, was in zijn eerste mannelijke jaren reeds geleerde van gezag.

Een ander voorbeeld van donders' breeden blik op de dingen, den wijden gezichtskring, waarin hij verrichtingen en gebeurtenissen, schijnbaar van elkander onafhankelijk, toch altijd zag als slechts de raderen van één mechanisme, is het volgende. In 1879 was Donders door zijn plaats in de wetenschap de aangewezen voorzitter van het internationaal-geneeskundig congres, dat te Amsterdam zou worden gehouden. Nog kunt ge de ouderen onder ons in vuur hooren spreken over de schitterende wijze, waarop hij, met het gemak, dat zijn uitnemende talenkennis hem verzekerde, het wereldcongres leidde.

Maar wat alweder — eigenaardig, om het verbindende in zijn oordeel — treft, is dat donders een bekend rechtsgeleerde, die toen in zijn opkomst was, den lateren Minister-staatsman, Mr. van houten, uitnoodigt om een voordracht op het congres te houden.