is toegevoegd aan uw favorieten.

Het pleegkind

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

ZEVENDE HOOFDSTUK.

zame kind, maar dat zij haar toch niet noodig had. Zal er wel iemand werkelijk in angst zijn over haar verdwijnen? In angst zooals zij de boerin eens gezien heeft bij een ziekte van een van haar kinderen? Ja, zij heeft Mia eens zien huilen om een jong katje, dat uit haar huis was weggeloopen en door jongens vreeselyk mishandeld, bijna dood, werd teruggevonden, maar dat katje was Mia's eigendom, zij had het zelf opgekweekt, het hoorde bij haar.... dat is het verschil, zij hoort bij niemand. Om harentwil zal wel niemand in angst zitten of tranen storten, wat heeft zij toch misdaan om zoo by anderen achter te staan? Weer benevelt voor haar oogen iets vochtigs het landschap, terwijl zij den langen weg afloopt, die van het dorp naar het naastbij gelegen station voert. Eindelijk is dat toch bereikt. Zij is er meer geweest, eens als schoolkind voor een uitstapje met de klasse, een paar maal met de boerin, als zij naar dé stad gingen. Het is nu heel stil op het kleine perron, alles nat en grijs in den mistigen, killen dag, rechts en: links ligt de nevel over de velden.

„Wanneer gaat de eerste trein naar Den Haag ?" vraagt zij aan den stationschef, die juist met de handen in de zakken naar buiten komt drentelen.

„O, dan heb je nog meer dan een uur den tijd.... ik zou maar zoo lang in de wachkamer gaan zitten," voegt hij er bij, het bleeke kind aanziend, dat staat te huiveren in den killen mist en blijkbaar schrikt van zijn mededeeling.

In de wachtkamer is het ook koud en ongezellig. Frieda kruipt in een hoekje op een bank, vurig hopend, dat er al dien tijd niemand binnen zal komen, die haar kent. Zij schrikt op, als de deur opengaat — gelukkig gebeurt dit niet dikwijls. Eindelijk komt haar trein.