is toegevoegd aan uw favorieten.

Pietje Bell, of De lotgevallen van een ondeugenden jongen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

koek gekocht en niet betaald, 't Is vyf-en-twintig cent."

„Pietje, leg den koek weer neer!" gebood Martha boos.

„Nee juffrouw," zei de man, „den koek neem ik niet weer terug. De jongeheer heeft ervan gegeten!"

Het hielp niet, of Pietje al zei, dat hij toch heusch gevraagd had: „Geef mij dien koek" en dat hij dacht dat alles hier voor niets te krygen was. Hy' mocht den koek zélf betalen. Dat was erg naar, want nu had hy nog maar een dubbeltje. Hy' brak den koek eerly'k doormidden en gaf Hansje de helft, waar 't stuk afgebeten was. Hy' ging nu met zyn vriendje naar den zeekant, terwy'l de dames druk met elkander redeneerden. Het duurde niet lang of Martha en Jo waren de jongens kwy't. Er waren zóó verbazend veel kinderen aan het strand, dat het wel onmogelijk leek, temidden daarvan de twee bengels te onderscheiden. Zy' zochten hier, zy' zochten daar, wel een uur liepen zy' heen en weer, totdat opeens een vreesely'k gegil en geschreeuw van het publiek op eenigen afstand haar aandacht trok. En daar kwam ook Pietje aanloopen, die haar al van ver toeriep :

„Kom eens gauw. Daar is Hansje in zee gevallen! Kyk, daar dry'ft hy' !"

Alle badgasten stónden in een groote massa by' elkander en wezen met angstige gezichten naar iets wits, dat op de zee dreef. Het was een matrozenpakje. Een paar heeren, die wat verderop aan het zwemmen waren, zwommen er nu heen en ook roeiden een paar Scheveningsche visschers er naar toe. Het publiek wachtte in angstige spanning. Daar hoorde men de zwemmers opeens hartelijk lachen.

Een hunner liet aan de verbaasde toeschouwers zien,