is toegevoegd aan uw favorieten.

Geïllustreerde vaderlandsche geschiedenis voor jong en oud Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Q2

DE BOURGONDIËRS.

nalaten te zeggen: „Ik dacht hier de eenige Koningin te zijn, en ik zie er honderden."

Die rijkdom en welvaart van de Vlaamsche steden waren echter niet geheel in het belang van den Hertog. De rijke kooplieden en fabrikanten, meest wevers, begrepen al veel vroeger, dat geld macht is. De tijden waren voorbij, dat ze met hunne schatten om kleine Vorstengunsten bedelden. Zij leefden, als Vorsten, naast den Vorst, en beschouwden zich, zoo al niet verheven boven den Adel, dan toch met dezen gelijk te staan. Vooral gaf het machtige Brugge, en later het niet minder machtige Gent, menigmaal het bewijs, dat het zich niet aan het gezag van den Vorst des lands wilde onderwerpen, en de werklieden, vooral de wevers, stonden telkens op. Dat werkvolk, hoewel het geen gebrek leed, verre van daar, was dan toch de aanzienlijke stand niet, zult ge zeggen. Dat is zoo. Maar handige demagogen of opruiers, door de rijke kooplieden daartoe omgekocht, haalden het eerzuchtige, en daardoor ontevreden werkvolk, over door allerlei klinkende praatjes, prachtige beloften van gouden bergen en boosaardig gebeuzel, om zich aan het gezag van den zoogenaamden dwingeland te ontrekken. Het volk, dat ook wel rijk, aanzienlijk en machtig wil zijn, begreep niet, dat:

„Als heel de wereld renteniert, Wie zal er dan mijn' schoenen flikken ?"

eene vraag was, welke wel eens mocht overwogen worden, eer men tot daden van geweld oversloeg. De opruiers riepen misschien wel: „Uwe schoenen zullen dan gelapt worden door de aanzienlijken, die in uwe krochten zullen huizen, als gij in hunne paleizen woont!" Dat klonk, als eene klok, maar men vergat, dat dan de nieuwe armen, dat nieuwe volk, op zijne beurt ook alweer de nieuwe aristrocraten of aanzienlijken, met dezelfde leuzen zou aanvallen, en dat dan de toestand niet verbeterd, maar eenvoudig omgekeerd werd.

Meen nu evenwel niet, dat ik al de schuld op het volk en de rijke kooplieden werp, want dat is volstrekt het geval niet. De Vorsten van dien tijd, al droegen ze ook mooie bijnamen, waren dikwijls voorbeelden van de grofste ondeugden, en het schitterende Bourgondische Hof was stellig geen tempel van deugd en godsvrucht, maar eene offerplaats van verdorvenheid en zedeloosheid. Om zijne schatkist maar te vullen, en daardoor altijd geld te hebben, om door opkooperij zijn gebied te vergrooten, liet Filips vrij zware belastingen betalen. Aan voorrechten, — zoogenaamde Privilegiën, — der steden stoorde Filips zich bijna in geen enkel opzicht. Hij was hun Vorst, en het Volk zou doen, wat hij verkoos. Geen wonder derhalve, dat de Vlaamsche steden, hare macht kennende, met die handelwijze van den Vorst niet ingenomen waren. In 1452 stonden de Gentenaars op. De oorzaak was een eenvoudige belasting op het zout, zei men. Maar het ging hier alweer, als met de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten ; men zocht eenvoudig eene oorzaak om den lang onderdrukten haat tegen den Bourgondiër eens lucht te geven. Groote benden Gentenaars, onder de namen van „Witte Kaproenen" en „Groene-tent-gezellen", zwierven