is toegevoegd aan uw favorieten.

Van het verdonkerde goud

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

Wekten Da's eerste woorden een zacht gevoel in Jozien op, de laatste herinnerden haar aan het gesprek in denwinkel, deden haar angst opleven.

„Ik wil weg, ik wil weg, vandaag nog."

„Ja maar dat gaat niet," sprak Sa tegen. „Dat gaat niet Jozien. Je kunt een mensch niet op eenmaal in den steek laten. Dat is ook niet Christelijk."

„Ik ga toch," riep het meisje vastbesloten, „ik blijf geen uur meer in dit huis."

Ze stond snikkend bij de tafel en keek naar hare handen. ^ÉÉIM

„En dat waarom?" vroeg Da zacht. Toch klonk er reeds wrok in haar stem.

„Omdat ik hier niet hoor." Jozien wist geen ander argument.

Nu keek Da hoonend; rauw en valsch viel ze uit: „Omdat jij beter bent dan wij, niet? Loop heen met je schijnheiligheid, vroom meisje. Wij zijn te slecht voor je hé, maar je kunt het wel aanleggen met een getrouwden man! Niet? 'k Wou dat je Roomsch was, dan kon je gaa» biechten. Fijne lui en motregen, die bedriegen je het meest! Bah, huichelaarster, bah!"

Jozien sloeg ontzet de handen voor de oogen. Zij had den feilen valschen blik van Da gezien, de leelijke ruwe dreigende woorden gehoord. Zij wist dat deze furie haar goeden naam en dien van Van Diepen in de hand had. Het gebruik dat Da van dit wapen maken kon, vervulde Jozien met schrik en ontzetting.

Even flitste het plan door haar denken, gooi het met Da op een accoordje. Koop haar stilzwijgen, toen zag ze