is toegevoegd aan uw favorieten.

De Vlaamsche spitsbroeders

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI.

Een paar dagen later, 's namiddags, toen de moeder uit was, kreeg het meisje bezoek van Bertha.

„A sa, Nannettetjet leef je gij ook nog? En hoe gaat het? En zitje gij weeral met uwe bobijntjes ») te schamotieren?"

Nannette beantwoordde al die vragen met een invriendelijk, blijmoedig lachje.

„Al kost ik er den hemel mee verdienen, 'k en zou geen speUewerk kunnen leeren. 'k En versta d'r mij niet aan, dat gij dat zoo rap kunt: gij zijt serieus een artieste! Maar — al kost ik het, ik ging liever 'nen wangelingsje gaan doen. Is dat werken voor nietet Van 's n'ochtends te 's n' avends werken, zoo rap gij kunt, en uwen oogen verdriet aandoen en halfdood gaan van poenderen en nog geen halven franc (24 cent) verdienen! goeie! goeieI 'k spoog d'r liever op en ik bracht het bij de Zuster-Overste en zegde:

„lei, Ma soeur! doet het zelf!"

Alweer geen ander antwoord dan dat ingulle, vriendelijke lachje.

„Awel, mijn Idendetje! poost een keer en kijkt mij eens aan! Ik zie u toch zoo geerne, braven engel, gij!"

Nannette hief nu hare oogen op en richtte ze op Bertha; maar intusschen bleven haar blanke vingers tooveren met de draadjes en klosjes: het werk ging door. Eerst als ze de spelden weer moest versteken, had ze even haar oogen

') Garenklosjes.