is toegevoegd aan je favorieten.

Een nieuwe bundel : bloemlezing van Nederlandsche poëzie en proza voor de hoogere klassen van gymnasia, hoogere burgerscholen en voor zelfstudie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN SLECHT GEZELSCHAP.

285

Zijn geleerden naam dankte hij aan z'n beweerde vroegere betrekking van gouverneur. Gewoonlijk zwierf hij door de straten met gebogen hoofd en matten blik, zonder bepaald doel. Zijn twee eigenaardigheden bezorgden afleiding aan nietsdoeners en slenteraars. De „professor" mompelde altijd wat voor zich uit, ofschoon niemand iets begreep van wat hij zei. De woorden rolden als het gemurmel van een troebele beek, terwijl z'n doffe blik zijn hoorders aanzag. Droomend liep bij door de straten, totdat de een of ander hem staande hield om wat te vragen. De „professor" keek naar hem met zijn kleurlooze oogen, schudde nadenkend het hoofd en hervatte z'n eindeloos droef gemompel. Dan eerst was het vermakelijk oogenblik voor de leegloopers genaderd. De „professor" kon nl. niet den naam van eenig snijdend of scherp voorwerp hooren noemen. Iemand riep daarom gewoonlijk plotseling: „messen, scharen, naalden, spelden!" Dan verbleekte de grijsaard; 't was of hij uit een diepen droom ontwaakte, en, de armen zwaaiend, zag hij verschrikt om Zich heen als een gewonde vogel. De rampzalige man wierp een blik vol diepe smart op z'n beulen, en onnoemelijk lijden klonk in zijn stem, als hij uitriep, zich krampachtig in de borst grijpend: „Mijn hart, ze hebben m'n hart geraakt!"

Waarschijnlijk bedoelde hij, dat ze met dat geroep zijn hart verscheurden. De arme „professor" verwijderde zich snel, het hoofd nog dieper gebogen, terwijl achter hem het brullend schaterlachen der luie nietsdoeners weerklonk, wier kreten: „Messen, scharen, naalden, spelden" hem geeselden als zweepslagen.

Een ander persoon die hun een welkome afleiding bezorgde, was de ongelukkige, ontslagen* aan den drank verslaafde ex-ambtenaar Lavrovskjoe. Nog niet lang geleden heette hij in' t stadje de „ pann-pisaar(heer schrij ver), toen liep hij in zijn uniform met koperen knoopen. De omwenteling in Lavrovskjoe's leven was snel in 't werk gegaan. Te KnjaazjrVjeno was een schitterend huzarenofficier gekomen: slechts twee weken had hij daar vertoefd. Toch was dit lang genoeg geweest om de blonde dochter van den rijken herbergier te veroveren en mee te nemen. Sinds dien tijd was er nooit meer iets van de mooie Anna vernomen..

Lavrovskjoe had de hoop verloren, die eens zijn vroeger leven van kleinen ambtenaar had verhelderd. Ergens in een klein gehucht leefden z'n ouders, broeders en zusters, wier trots en steun hij eens geweest was. Thans bekommerde hij zich niet meer om hen. In z'n zeldzame nuchtere oogenblikken rende hij door de straten naar niemand kijkend, als was hij verplet door