is toegevoegd aan uw favorieten.

Van een grootmoeder en zeven kleinkinderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ze is naar boven om jongejuffrouw Fee te roepen. Ik zal even zeggen dat u er bent."

„Het heeft geen haast," zei ik, „mijn dochter zal straks wel komen."

Ik kleedde me vast uit, hing sjaal en hoed in de kast, nam een stoof en ging in het hoekje bij het raam zitten; daar heeft mijn dochter altijd een gemakkehjken armstoel voor me klaarstaan. Ik had wel in mijn taschje een breikous meegebracht, - als je zeven kleiiikinderen hebt, is er altijd wel één paar voeten, dat een paar kousen gebruiken kan, vooral in den winter, want die wollen kousen slijten zoo; maar ik vond het de moeite niet waard, er vóór het ontbijt aan te beginnen.

De keek dus maar eens op mijn gemak rond. Het is een heerlijk, geriefelijk huis, waarin mijn dochter woont. En de huiskamer, zooals daar nu het winterzonnetje in scheen, zag er erg behaaglijk uit. Ze was al aan kant, en ik weet, dat mijn dochter er altijd zelf stof afneemt. Het viel, me in, dat Fee, terwijl haar moeder zoo vlug