is toegevoegd aan uw favorieten.

De pleegzoon van den ketellapper

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

117

boomstammen klopte om op deze wijs de insecten machtig te worden, voor zijn levensonderhoud noodig.

Met volle teugen ademde de jongeling de frissche, gezonde boschlucht in, en in zijn hart gevoelde hij iets als medelijden met den bezitter van dit bekoorlijk landhuis, die ondanks alles wat hem aanzien en rijkdom kon schenken, zich toch bij het klimmen zijner jaren omringd zag door vreemden, die hem dienden om loon, want hij was immers de laatste van zijn geslacht!

„Zou er dan nooit een zoon geweest zijn," dacht Chris, „me dunkt, de oude herbergier üit „De Ramskop," had ons nog wel meer willen vertellen, doch oom Wils maakte hem boos door zijn stekelige opmerkingen, 'k Zal vanavond of morgen wel eens met den ouden man praten; hij zal mij wel iets vertellen van het huis „Ter Linden" en zijn bewoners. Hoe het komt weet ik niet, doch ik stel belang in dit prachtige oude huis, hoewel ik hoogstwaarschijnlijk deze plek nimmer zal terugzien."

Een meter of tien, twaalf van de brug verwijderd^ stond Braunsing met den hengel onbewegelijk in de hand, en het oog onafgewend gericht op zijn dobber. Zooals hij daar stond, geleek hij wel een bronzen standbeeld. Hoewel zijn dobber al wel een half uur geleden had staan dansen, en ten slotte onder water werd getrokken, had de anders zoo wakkere visscher er niets van bemerkt!

Hoe dat kwam? Wel, Braunsing streed op dit oogenblik een zwaren strijd in zijn binnenste. Zijn besluit stond vast om zich van zijn pleegzoon los te maken, en aanvankelijk was zijn plan om, evenals hij met Chris door Zuid-Holland, Brabant en Gelderland was getrokken, zoo ook met kleine dagmarschen door Duitschland heen naar Berlijn te trekken. Doch de voorheen zoo lichtzinnige, zorgelooze man, die in zijn jonge jaren de ouderlijke woning, zonder weemoed in het haft te gevoelen, den rug had toegekeerd, en twaalf jaren lang in den vreemde omdoolde, eer hij er aan dacht terug te keeren naar zijn vaderland, diezelfde man voelde thans een vlijmende smart in de borst bij de gedachte dat hij moest scheiden van zijn pleegzoon, zijn neef, het kind eener lang geleden gestorven zuster.

Wat wonderlijk ding is toch het menschenhart!