is toegevoegd aan uw favorieten.

Remy's kerstroos

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

95

kwijnen, als een bloem, waarvan het afhangend kopje droevig neerhangt, alsof alle leven, alle blijheid er uit is. Haar vroolijk stemmetje schaterde niet meer door het huis zooals vroeger bij Grootje en Remy. Doodstil kon zij langen tijd door het venster staan kijken naar het groote weiland vóór haar. Soms ook zat ze lusteloos in een hoekje van de kamer op den grond en keek naar de oude vrouw, die maar naaide, naaide en maar heel geen aandacht had, als Roosje haar wat vertelde of vroeg.

Eindelijk begon ook de vader erg te krijgen in de bleekheid van dat teere kindergezichtje en begon het ook hem op te vallen, dat Roosje zoo slap en zoo lusteloos was. Hij trachtte haar op alle wijzen op te vroolijken, vertelde haar sprookjes, speelde met haar, maar dat alles gaf niets dan een korte opflikkering, waarna zij weer in haar vorigen toestand van matheid verviel. Van Dam maakte zich werkelijk bezorgd, en bij de gedachte, dat Roosje misschien ziek zou worden en van hem zou heengaan, verdubbelde hij zijn vaderlijke zorg.

Maar met dat al kon hij in de weinige uren, die hij met zijn kind doorbracht, haar niet vergoeden dat gemis aan warme, moederlijke liefde, dat koesteren, zooals alleen moederarmen maar kunnen doen; hij kon ook niet, al probeerde hij het ook op alle manieren, dien blijen omgang van Remy enjopie door speelgoed en lekkers vergoeden, ook al was dit nóg zoo mooi en nóg zoo heerlijk.

En van lieverlede begon Van Dam zichzelf af te vragen, of hij wel goed gedaan had met Roosje van hen weg te nemen. Of eigenlijk — hij voelde wel, dat dit niet goed was geweest, maar hij wilde het zichzelf