is toegevoegd aan uw favorieten.

Hollandsche jongens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

87

onder vroolijke gesprekken weer naar Rotterdam.

Maar onderweg kreeg Flip plotseling grooten lust om zich eens warm te maken, en zich tot Johan wendende, sprak hij:

„Zeg, hoofdman, zullen we eens over die sloot springen, over het hek klauteren en ons eens flink warm hollen in die wei?"

„Vooruit dan maar!" sprak Johan. „Allo, wie het eerst over de sloot en de hekken is! Marsch!"

Op dit commando vlogen allen, Heinrich Löwe het laatst, het dijkje af. Flip sprong het eerst over de sloot, maar viel pardoes met zijn neus in het besneeuwde gras, Johan maakte hiervan gebruik om over hem heen te klauteren en het hek te grijpen, maar Willem Felsing pakte hem bij de beenen, om zijn voeten uit de moddersloot te trekken. Per slot van rekening zat Heinrich, die alles op z'n kalme, dooie gemak gedaan had, nog het eerst op het hek.

„Hahaha!" lachte hij hartelijk. „Nou ben ik nog de

eerste Wilhelm zit met zijn voeten in de sloot!

Haha!"

Werkelijk kon Willem zijn voeten bijna niet uit de natte modder trekken, en Johan moest hem te hulp komen.

„Past op, jongens! Daar komt een veldwachter! fluisterde Flip, die een zwarten neus had.

„Stil, niets zeggen," zei Johan zacht.

„Hei daar, wat voeren jullie daar uit?" riep de veldwachter met booze stem. „Wie zijn jullie? Moet dat hek stuk? Allo, eraf!"

„Wij zijn neefjes van den burgemeester, veldwachter !" rièp Johan onbevreesd.

„Oh, pardon, gaat dan uw gang maar, jongeheeren!"