is toegevoegd aan uw favorieten.

Richard Hunne

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïi4

„John: Browne had zich ook niet afgescheiden van de kerk van Rome, en wat hebben zij niettegenstaande dat met hem gedaan?" zeide Hunne op bezorgden toon.

„Maar John Browne was onvoorzichtig in zijn spreken en wekte daarom kwaad vermoeden op," zeide Roger. „Wat daarentegen uw persoon betreft, denk er zelf eens aan, vader, hoe dikwijls gij mij gezegd hebt, dat ik in het openbaar veel te ver ga; en het is waar, dat ik in het openbaar veel verder gegaan ben dan gij, daar ik jonger en opgewondener ben. En toch laten zij mij met rust; waarom zoudt gij u dan met noodelooze vrees gaan kwellen ? Bovendien, gij hebt in de stad een veel te goeden naam, dan dat men dë hand aan u zou durven slaan. Denk eens aart, hoe ieder u zelfs wegens uw moedig gedrag in de zaak tegen dien priester Dryfield prijst, terwijl gij daarbij toch als goed Roomsen bekend staat, gehjk een iegelijk bereid is te getuigen. Gij ziet alzoo, dat bij niemand ter wereld twijfel bestaat aan de zuiverheid van uw geloof in de Kerk."

Het was echter vergeefs verdere pogingen in het werk te stellen tot opbeuring van Hunne's neerslachtig gemoed, en toen Whapplot dit bemerkte, zag hij daarvan dan ook af; maar nog eens en nu met beteren uitslag dan daar straks, drong hij er bij zijn schoonvader op aan, naar boven, naar zijns dochters kamer, te gaan.

„Margaret zal verstoord op mij zijn," zeide hij, „als zij hoort, dat haar vader heden zoo langen tijd bij mij is geweest en zij hem niet gezien en gesproken heeft."

Zoo ging de heer Hunne dan de trap op, om zijn kleine Margaret, zooals hij haar altijd nog met een teeder gevoel noemde, goeden dag te zeggen. Maar zelfs * toen het de booze geest van neerslachtigheid en somberheid niet van hem af, zoodat wegens haars vaders bezorgdheid tranen opwelden in de oogen der dochter; en toen zij scheidden, ging dit aan beide zijden met zooveel diep gevoel en teederheid gepaard, dat Margaret Whapplot zich dit nog vele jaren later met een soort van zielsangst en verslagenheid des geestes herinnerde.

Richard Hunne begaf zich op weg naar huis. De wind bhes zoö scherp, dat, toen hij den winkel van zijn schoonzoon uitkwam, hij zijn kap of muts bijna over de oogen trok en zich in zijn dik gevoerden mantel wikkelde, zoodat zijn gelaat bijna niet zichtbaar was. Niet zoo verborgen echter was hij op deze wijze, of twee mannen, die hem schier op den voet volgden, herkenden hem onmiddellijk, want de een zeide zacht en behoedzaam tot den