is toegevoegd aan uw favorieten.

Richard Hunne

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii7

brengen, als ik er u genoegen mee kan doen. Gij kunt mij op dien tocht vergezellen, waardoor ik u den weg zoo gemakkelijk mogelijk maak."

Meer dan verrast door deze onverwachte vriendelijkheid, betuigde Roger den deken der St.-Paulskerk stamelend zijn dank. En nu, om dit gedeelte van ons verhaal te bekorten, stegen bij het aanbreken van den volgenden dag de deken en de lakenkooper te paard en reden spoedig rustig tusschen hooge, op dat tijdstip bladerlooze hagen, welke den breeden weg afbakenden, die uit Londen voerde en in die dagen „de weg naar Redynge" werd genoemd.

Zij hadden nog niet lang gereden, toen zij in de verte een jagersstoet ontwaarden, blijkbaar uit aanzienlijke personen bestaande. Het gezelschap was juist bezig, onder luid hoorngeschal, en hunne hazenwinden door krachtige kreten aanvurende, op hunne paarden gezeten in vollen ren een hert te achtervolgen, dat met groote sprongen aan zijn belagers trachtte te ontkomen. Daar het juist de richting nam, waarin Whapplot en dr. Colet kwamen aangereden, trachtten deze ter zijde uit te wijken, ten einde den stoet te laten voorbijgaan; doch toen de jagers hen genaderd waren, werden hunne rijdieren door het rumoer zoo schichtig, dat zij niet meer te regeeren waren, midden in den troep sprongen en met dezen mee renden. Zoomin de lakenwever als de deken was nu in staat, zich aan die gedwongen jacht te onttrekken, en zoo draafden zij in vliegende vaart mede. Het was maar gelukkig, zoowel voor hen als voor hunne hijgende paarden, dat de rit spoedig een einde nam, want het duurde niet lang, dat het hert door een kogel werd getroffen en neerstortte. Weldra hadden de jagers, die een weinig verspreid waren geworden, zich rondom het dier verzameld, en nu eerst ontwaarde de deken tot zijn groote verrassing — en ontsteltenis tevens — dat het gezelschap uit niemand minder bestond dan den koning en eenige zijner lords, die hem steeds vergezelden, die thans gelegenheid hadden de zoo onverwachte deelnemers aan hun jachtvermaak eens bedaard op te nemen. Deze doorzagen met een enkelen oogopslag de moeilijkheid, waarin zij door de vurigheid hunner paarden waren gebracht, en waren reeds bezig, zoo haastig als dit met den verschuldigden eerbied bestaanbaar was, zich terug te trekken, toen zij gedwongen werden hunne paarden stand te doen houden, daar de koning zonder plichtplegingen op vroolijken toon den deken toesprak, dien hij dadelijk herkend had.

„Gij hebt ons een onverwachte eer aangedaan, doctor," zeide hij „ofschoon ik tot op dit oogenblik niet wist, dat gij zulk een liefhebber van het jagen waart. Ware het Mylord de bisschop van Lincoln geweest, dan zou ik er mij niet bijzonder over verwonderd hebben; maar ik zal u er voortaan des te peer om achten, dat gij zoo goed deel aan een jachtpartij kunt nemen."