is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons leesboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

87

Hij wist niet dat hij antwoordde, en sprak tegen zijn veld.

Maar hij vertelde, dat het daar niet veel beter was, dat daar de dauw ook niet meer kwam; en veel meer vertelde hij aan zijn veld. Hij sprak hardop, als iemand, die een droevig verhaal doet aan die het nog niet weten; en hij sprak lang; in gedachten, zoodat Bins, de arbeider, die den weg afkwam, hem toeriep, en vroeg, tegen wien hij het had; Bins, die altijd lachte, als niemand lachte, en dien weinigen mochten lijden.

En schamen deed de boer zich, dat iemand het had gehoord, dat hij gesproken had met zijn koren, zooals iemand met zijn vriend spreekt; en dat iemand hem gezien had, zooals hij daar gestaan had, met zijn beenen vast aan den grond, hij wist zelf niet hoe lang.

En zoo waren er meer geweest, die het waren beginnen te begrijpen.

Iken, die zijn boekweitvelden had liggen tegen het Oosten van het dorp, waar het veen hoog was.

Hij had gewacht tot er geen vrees meer behoefde te zijn voor de nachtvorsten, want voordat ook de nachtvorsten weg waren, moest hij de boekweit niet zaaien; één nachtvorst zou genoeg zijn om het jonge groen geheel te vernietigen. En toen hij zekerheid had, dat van dien kant niets meer te vreezen was, had hij tegen zijn zoon Kassens gezegd: »Wij moeten het veen branden, jong; de boekweit moet er in«.

En toen was het veenbranden begonnen, op zijn hoogveen, en op het hoogveen van de andere boeren, die boekweit verbouwden. Met den Oostenwind waren de rookwolken over het dorp gedreven, aldoor, den geheelen dag; en ook de volgende dagen; zoodat het soms verstikkend was in de straten en in de huizen. Maar daar