Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

466

ZESTIENDE TITEL

noch als aangehuwde bestaan, mits er namelijk binnen het arrondissement der rechtbank, waarin de voogdij is opgedragen of binnen een daaraan grenzend arrondissement, een bloedverwant of aangehuwde zich bevindt, die in staat is de voogdij uit te oefenen, d. i. die niet van de voogdij uitgesloten is; art. 434 n°. 10. Want alleen een wettelijk, geen feitelijk beletsel mag hier in den weg staan (1). Ware het toch genoeg, dat de aangewezen persoon/naar 's rechters oordeel feitelijk buiten staat was de voogdij uit te oefenen, door in één der gevallen van art. 434 no. 1, 2, 3 of 5 te verkeeren, dan zou men tot deze vreemde dubbele antinomie komen, dat een krijgsman b.v. 1°. waar het op de bevrijding van een ander aankomt tot uitoefening der voogdij buiten staat is, maar, waar het op zijn eigen bevrijding aankomt, zoolang hij zich zelf niet verschoont er wel toe in staat is, en 2o. omgekeerd, als het zijn eigen bevrijding geldt, met zijn reden van verschooning niet van 's rechters oordeel afhankelijk is, maar, als het om de bevrijding van een ander te doen is, die reden aan 's rechters oordeel moet onderworpen zien. Was in de oogen der wet zulk een krijgsman b.v. tot uitoefening der voogdij buiten staat, dan had zij hem onbevoegd moeten verklaren, maar het niet aan zijn goedvinden moeten overlaten, of hij zich ar dan niet wil verschoonen. Nu zij de zaak geheel van zijn eigen beslissing afhankelijk maakt, bewijst zij daarmede, dat zij hem niet noodwendig tot

(1) [Zoo besliste ook het Hof te 's-Gravenhage (13 April 1901 W. 7644) dat de vreemde zijn recht op vrijstelling niet verliest, indien hij zelf tot voogd en de bloedverwant tot toezienden voogd wordt benoemd. Anders oordeelt Land-Star Busmann (bl. 607), volgens wien de rechter zal hebben te overwegen welke reden van verschooning het zwaarst weegt, indien zoowel de vreemde als de nabestaande hiervan gebruik willen maken.]

Sluiten