is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

hem een vriendelijke ontvangst ten deel. Door zijn cordaat optredenl) verkreeg hij toestemming niet alleen tot het drijven van handel, maar ook tot het huren van een huis, om er een logie te vestigen. Bij zijn vertrek het hij Pieter Gillissen *) achter met drie personen en een partij goederen. De gouverneur der stad had Van den Broek met „handtasting" bescherming beloofd en bij zijn vertrek negen guseratsche kleeden geschonken.

De achtergelaten Gillissen had geen opdracht om satisfactie te verkrijgen voor den moord op Van Deijnse en vergoeding voor het toen gestolene. Hij moest onderzoeken, hoe de Compagnie den handel op Cambaya en Suratte zou kunnen bemachtigen. Toen het ook hem weer bleek, dat er groote winsten te behalen zouden zijn, het de Hooge Regeering de zaak van Van Deijnse wegens den „profijtelijcken handel" verder rusten. *)

De verschijning, ontvangst en vestiging der Nederlanders te Suratte was een ergernis geweest voor de Engelschen, die er reeds eenige jaren vroeger een logie hadden mogen oprichten.

Pieter van den Broek, de vestiger, werd ook de organisator van den handel der Compagnie in Suratte en onderhoorige kantoren. Zijn tweede reis in 1617 over Mauritius, Madagascar en de Roode Zee naar Suratte, was niet voorspoedig. Zijn beide schepen raakte hij kwijt, maar de goederen kon hij bergen in een dorp, gelegen aan de kust bij Suratte. Nadat bij te Suratte met Pieter Gillissen den handel geregeld had, trok hij met 103 man dwars door Deccan en Golconda naar het Nederlandsche kantoor te Mazulipatnam op de kust van Coromandel. Vandaar arriveerde hij in Nov. 1618 over Atjeh in de factorij te Jacatra. Daar heeft hij bij de belegering dier factorij door de Engelschen en Javanen een minder manhaftige rol gespeeld dan in Suratte. Dat belette Coen niet, hem in 1620 als bestuurder van den handel naar Arabië, Perzië en Voor-Indië te zenden. De zaken te Arabië het hij over aan den opperkoopman Herman van Gil en eenige subalternen. Zelf installeerde hij zich in

l) Over Pieter van den Broeks verblijf te Suratte, Valentijn V, 2* stuk, p. 121.

*) Van Dam noemt hem „onderkoopman", Valentijn „opperkoopman" en vermoedelijk is het dezelfde, dien Van Dam te voren noemde de „koopman" van Pieter Gillesz van Ravesteyn.

3) Van Dam, Beschrijving, t. a. p. f. 873.