Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

tijd dan op zijn eigen vader en moeder. Het „Einer ist Hen im Lande" ontsprong uit den „Wille zur Macht", vertolkte de Nietzschiaansche idee van het Herrentum, die in de lucht zat. De oude keizer dien Wilhelm II zich vooral in zijn eerste redevoeringen vaak tot voorbeeld stelde, beschouwde zich eveneens als een heerscher van Gods genade, maar hij verkeerde niet in den waan dat al zijn besluiten en daden uit goddelijke voorlichting ontsprongen, en dat de critiek van zijn volk hem niets leeren kon. De kleinzoon verkeert in geen twijfel. Mijn koers is de juiste, verklaart hij. Het ontwakende zelfbewustzijn van zijn volk, de inderdaad soms ruwe critiek der oppositie beschouwt hij als een lastige hebbelijkheid, om alles wat van regeeringswege geschiedt herumzumakeln; die de menschen in hun rust stoort en de vreugde in het leven en het heerlijke vaderland vergalt. De Nörgler die door deze hebbelijkheid bevangen zijn, moesten liever „het Duitsche stof van hun pantoffels schudden".

Die gedachte kwam telkens boven en uitte zich vrijelijk, want vóór de groote crisis van 1908 lag het karakter van Wilhelm II voor de heele wereld open; niemand uitte openhartiger — en onvoorzichtiger — wat hij dacht en wilde. De heele wereld zag op bij zijn uitroep „Slechts één is Heer in het land en dat ben ik, geen ander duld ik". In een toespraak tot een burgemeester zeide hij: „Gij zult mij lang genoeg kennen om te weten, dat wanneer ik mij iets voorgenomen heb, ik dat ook uitvoer". En met welgevallen sprak hij uit, dat er evenals in den grooten keurvorst ook in hem een „onbuigzame wil" heerschte.

Het persoonlijk bestuur

Het ware de dood voor het Duitsche keizerschap, zoo heeft een Duitsche schrijver gezegd, indien het slechts symbolisch werd opgevat.

De grondwet geeft den keizer uitgestrekte rechten en bevoegdheden en Wilhelm II is niet de man om uit eigen beweging deze rechten te beperken. Integendeel, de dank-

56

Sluiten