Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUINWILG.

481

DUIVELSCH.

DUINWILG, m. (-en), kruipwilg (salix repens); ...ZAND, o. zand der duinen : men heeft wil, geel en kalkhoudend duinzand.

1. DUIST, v. een lastig onkruid, tot het geslacht vossestaart (alopecurus agrestis). Het draagt ook den naam van zwartgras, wildkoorn, wild gras, wintergras, zaadgras, landvluis en smeelen.

2. DUIST, 0. stuifmeel, fijne kafbolsters. DUISTER, bn. bw. (-der, -st), zonder licht,

donker: eenk duistere kamer; een duistere nacht; het licht of dé kaars brandt duister, slecht; — (flg.) de toekomst is nog duister, men kent haar nog niet; — 1 is me nog even duister, Ik begrijp het nog niet; — (flg.) onduidelijk, verward, niet helder: een duistere stijl; duistere woorden; —, o. duisternis: hij ziet in het duister (ook : in den duister); in het duister rondtasten, (flg.) in volslagen onzekerheid verkeeren, handelen.

DUISTERACHTIG, bn. bw. eenigszins donker.

DUISTERHEID, v. donkerheid; —, (...heden), (flg.) onduidelijkheid, verwardheid.

DUI STERLING, m. en v. (-en), die den mensch gaarne dom en onwetend houdt, domper; (ook) oningewijde. DUISTERLINGE, v. (-n).

DUISTERNIS, v. donkerheid; — eene Egyptische duisternis, volslagen duisternis; — tijdperk van domheid en bijgeloof: de duisternis der middeleeuwen; — (Z.A.) eene duisternis van menschen, overgroote menigte.

DUIT, m. (-en), oude HoU. koperen munt, het achtste deel van een stuiver; dat kost vier duiten, een halven stuiver; — hij zou een duit in tweeën bijten, is zeer gierig; — (spr.) hij wil ook een duit in 't zakje doen, een woordje meespreken; — hij is mij geen duit schuldig, niets; — dat is geen duit waard; dat kost mij geen rooden duit, in 't geheel niets; — (gew.) vreemde of niet meer gangbare munt; — (flg.) geld : hij heeft duiten; hoe zal ik aan mijne duiten komen; — dat heeft hem een heelen duit gekost, veel geld; ■— de duiten bijten hem, hij verspilt zijn geld. (In; zij gelijkt hem op 'n duit is op 'n duit eene verbastering van op ende uit, geheel en al). Duitje*, o. (-8).

DUITBLAD, o. eene der algemeenste waterplanten van Nederland, ook centenblad, kikkerbeet of kikkerkruid, kleine duitjes en vorschbeet genoemd, (hydrocharis morsus ranae),

DUITENDIEF, m. (...dieven), iem. die er steeds op uit is, geld te verdienen; ...FLATER, m. (-s), iem. voor wien alles eene geldkwestie is; ...PLATERIJ, v.

DUITJE, o. (-8), duit; eene som gelds: hij heeft een aardig duitje opgespaard; (gew.) duitje-op spelen, kruis of munt spelen.

DUITSCH, bn. bw. van Duitschland : de Duitsche taal; de Duitsche (of Teutonische) orde; —, o. de Duitsche taal; vroeger ook voor de Nederlandsche taal gebruikt: of rijm ik, dat een boer dit Duitsch niet kan verstaan; ook Dietsch (nog bij "Vlamingen); vgl. Nederduitsch, Hoogduitsch; —- eene Duitsche, eene Duitsche vrouw.

DUITSCHER, m. (-8), inboorling van Duitschland.

DUITSCHKOORN, o. (Z. A.) gewone tarwe, in tegenst. met kafferkoorn.

DUITSCHMAN, m. (-s), (Z. A.) blanke, naam dien de Kaffsrs aan de blanken geven.

DUITSCHVOLK, o. (Z. A.) blanken, benaming waarmee de Kaffers over de blanken spreken.

DUIVEBEK, m. (-ken); ...KOP, m. (-pen); ...POOT, m. (-en); ...VOET, m. (-en).

DUIVEKATER, zie DEUVEKATER, wat duivekater ! wat duivel 1

DUIVEL, m. ( en, -s). in de volkstaal ook DUVEL, (theologie en volksgeloof) gevallen engel, booze geest, voorgesteld als de oorzaak van het kwade, in t bijz. het opperhoofd dier geesten, Satan, Beëlzebub : verzoeking van Christus door den duivel; — (Zuidn.) iem. den duivel aandoen, hem erg kwellen; — (naar de verschillende ondeugden), de duivel van den hoogmoed, den nijd enz.; — (spr.) hij is van den duivel bezeten, de duivel werkt in hem, (flg.) hij is dol; — den duivel inhebben, woedend zijn; — daar speelt de duivel mee, daar heeft hij een handje in, dat is toch een drommelsch werk; ■*— de duivel zal de kaars houden, zal er zich mede bemoeien; — den duivel aan iets gezien hebben, van iets tniet willen weten, er een afkeer van, een sohrik voor hebben* — den duivel gezien hebben, op de vlucht gaan; — bij den duivel te I

biecht gaan, bij den vijand te rade gaan, aan hem een geheim verklappen, enz.; <— den duivel bannen, bezweren, uitdrijven; — (spr.) men maakt den duivel altijd zwarter dan hij is, men schildert iem. (iets) altijd erger dan hij is; — (spr.) als men van den duivel spreekt, trapt men op ztjn staart, wanneer men over iem. spreekt dien men afwezig waant, komt hij juist; — in den nood eet de duivel vliegen, in nood doet men alles; — (Z. A.) hij is een duivel in het liegen, kan geweldig liegen; — wie schuldig is, droomt van den duivel, zijn geweten plaagt hem; — verder in tal van verzekeringen, verwenschingen, uitroepen: de duivel hole mij, als 't niet waar is; loop naar den duivel; kom hier, voor den duivel; hij is te dom om voor den duivel te dansen, zeer dom; wat duivel!; — de duivel met zijn grootje (plat; met zijn mallemoer); — dat mag de duivel welen (ik weet het stellig niet); — om den duivel niet, stellig niet; (vgl.) donder, drommel; — een duivelachtig wezen : hij is een duivel in menschengedaante; een slimme duivel; — (ook vaak in medelijdenden zin, misschien naar aanleiding van vele middeleeuwsche sagen en spelen waarin de duivel vaak bedrogen, afgerost werd), een arme, domme, goede duivel; — (plat) lichaam* iem. op zijn duvel geven, komen, zitten; op zijn duvel krijgen, een pak slaag krijgen; (ook flg.); — (nat. bist.) mandril; eene zeer wilde soort van buidelwolf (sarcophilus ursinus); — machine tot het reinigen van ongesponnen wol, katoen, ook wolf genoemd; — (Zuidn.) dorschwerktulg. Duiveltje, o. (-s), het duiveltje in mijn binnenste, mijne kwade neigingen; Cartesiaansch duiveltje, zie DUIKERTJE.

DUIVELACHTIG, bn. bw. (-er. -st). als (van) een duivel: een duivelachtig genoegen. DUIVELACHTIGHEID, v. (...heden).

DUIVELARIJ, v. (-en), boosheid; bedrog; list, loosheid.

DUIVELBANNER, ...BEZWEERDER, m. (-s); ...BANSTER, ...BEZWEERSTER, v. (-8); ...BANNERIJ, ...BANNING, ...BEZWERING, v. (-en).

DUIVELEN, (duivelde, heeft geduiveld), kwellen, zaniken, last veroorzaken : lig nu niet te duivelen; — treiteren, razen, tieren, vloeken, met geweld en geraas slaan, drukte maken, duiveljagen.

DU1VEL1G, bn. (-er, -st). duivelachtig: het is om duivelig te worden. DUIVELIGHEID, v. (...heden).

DUIVELIN, v. (-nen), boos, kwaadaardig wijf, helleveeg.

DUIVELJAAGSTER, v. (-8), (w. g.) tooverheks. DUIVELJAGEN, (duiveljaagde, heeft geduiveljaagd), den duivel bezweren; — (flg.) een groot geraas maken; last, drukte veroorzaken; lig toch niet te duiveljagen, gezegde om zijne ontstemming te kennen te geven als men ingespannen bezig is en telkens gestoord wordt; vgl. donderjagen.

DUIVELJAGER, m. (-8), duivelbanner, toovenaar; — eene ronding van een kwartcirkel met twee insnijdingen (aan balken); — zekere schaaf daarvoor gebruikt.

DUIVELKAMER, v. (-s), (spinnerij) vertrek in eene katoenspinnerij waar de vezels het eerst gezuiverd worden.

DUIVELS, bw. in hooge mate : duivels aardig; — tw. wel duivels 1

DUIVELSADVOCAAT, m. (...caten), (R. K.) prelaat die bij de heiligverklaring of canonisatie tegen de heiligverklaring pleit en daarom aangewezen is om het zondige of onvolmaakte in het licht te stellen; hij bestrijdt dus den verdediger der heiligverklaring of Godsadvocaat; — (bij uitbr.) iem. die vooral de zwarte zijde, den slechten kant van iets laat zien.

DU1VELSBEET, v. (plantk.) blauwe knoop (succisa pratensis), ook blauw schurftkruid geheeten; ...BOOM, m. (-en), een kleine boom op de bosch rijke hergen van Zuid-Amerika, uit welks langen, knoestigen wortel de wilden knotsen maken, knotsboom; ...BOON, v. (-en), (plantk.) smeerwortel (symphytum officinale), ook donderboon, ezelsoor, keëlwortel en spekwortel geheeten; ...BROOD, o. vgew.) eene soort van paddenstoel; uitwas (aan boomen).

. DUIVELSCH, bn. bw. van, als een duivel: met duivelschen wellust zijne prooi martelen; — verwenscht: die duivelsche jongen; dat is eene duivelsche geschiedenis; — woedend : dat is om duivelsch te worden. Vgl. dondersch, drommelsch.

Van Dale.

31

Sluiten