is toegevoegd aan uw favorieten.

De Remonstranten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HO

DE REMONSTRANTEN

had hij, de 63-jarige, een veelbewogen leven achter zich, waarin hij zijn beste krachten had gewijd aan de verwezenlijking der godsdienstige beginselen, die hem dierbaar waren en die hem reeds lang een geestverwant van Arrninius deden zijn.Beide mannen hadden elkaar verstaan van af het eerste oogenblik, waarop zij elkaar als studenten van den geleerden Beza in Genève hadden ontmoet. Zij bleven met elkaar verbonden door innige vriendschap, waarvan een getrouwe briefwisseling getuigenis aflegt. Wtenbogaert is Arrninius' steun en raadsman gebleven tot aan den vroegtijdigen dood van denLeidschen hoogleeraar. Weinig kon Wtenbogaert toen bevroeden, dat hij later de vruchten van Arrninius'leven zou verzamelen, dat hij de practische gevolgen van diens zienswijze Zou helpen verwezenlijken. En wat hij ook zelfs op dien gedenkwaardigen dag te Antwerpen in 1619 niet bevroeden kon, was, dat hij nog 26 jaren het kerkgenootschap, dat hij organiseerde, zou helpen in stand houden en tot bloei brengen, hij, die terecht „het hoofd der Remonstranten" is genoemd, een spotnaam, hem door zijn Calvinistischen Haagschen ambtgenoot Rosaeus gegeven, „een hatigen naem", zooals Wtenbogaert in zijn autobiografie schrijft.

Kan doorgaans een mensch, wiens dagen in gestadige werkzaamheid zijn voorbijgegaan, wiens levensjaren zijn geklommen gedurende noesten, veelzijdigen arbeid, zich op 63-jarigen leeftijd gaan voorbereiden op een welverdiende rust, Wtenbogaert zag zich op dien leeftijd eerst voor het moeielijkste deel zijns levens geplaatst en voor een levenstaak, die voor hem tot aan zijn dood onder zware tegenwerking, onder ontelbare moeielijkheden alle krachten heeft vereischt. Welk een arbeidskracht, welk een levensmoed heeft er in dezen man gescholen!

En ook reeds vóór 1619 was zijn leven veelbewogen geweest.

Nadat hij zijn studies te Genève had voltooid, kreeg hij op 27-jarigen leeftijd een aanstelling als predikant te Utrecht, waar hij, evenals zijn leermeester Duifhuis, door zijn practisch-religieuze toespraken, sterk verschillend van de leerstellinge preekmethode der Calvinisten, een talrijke schare totzich trok.Tijdens eenpest-epidemie te Utrecht in 1588 spreidde hij reeds de groote voortvarendheid, den onvermoeiden ijver en het taaie geduld ten toon, die hem gedurende zijn geheele leven hebben gekenmerkt. Vanaf 1590 het jaar,waarin zijn werkzaamheid als predikant in Den Haag