is toegevoegd aan uw favorieten.

Duizend en één nacht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luidden. Chogian Hassan antwoordde in bescheiden, maar welgekozen bewoordingen, dat hij zijnen Heer zeker niet zou durven misleiden en begon daarop als volgt:

Geschiedenis van Chogia Hasan fllhabbal.

K£S|m te beginnen, o Beheerscher der Oeloovigen, moet ik U zeggen, dat ik |Hf vroeger touwslager was, evenals mijn vader, van wien ik het handwerk ®*™ geleerd had. De goede man had mij niets kunnen nalaten en ik zelf verdiende maar ternauwernood genoeg, om met vrouw en kinderen schamel te leven, zonder uitzicht, dat dit ooit veranderen zou. Echter leefden wij tevreden en prezen Allah, dat Hij ons het noodige niet onthield. Op zekeren dag was ik in mijn werkplaats bezig, toen er twee mannen voorbijkwamen, bewoners van hetzelfde kwartier, die ik van aanzien kende. Zij heetten Saad en Saadi en waren groote vrienden, ofschoon zij dikwijls van meening verschilden. Saadi, die zeer rijk was, vond, dat alles in de wereld van geld afhing en men zonder geld onmogelijk gelukkig kon zijn of worden. Saad, die niet zoo rijk was, ofschoon hij genoeg had om te leven, was daarentegen van meening, dat geld op zichzelf geen geluk gaf. Ook geloofde hij, dat een arme man best door toeval rijk kon worden en dat alles in deze wereld van het lot afhing. Zij hadden hier al dikwijls over gedisputeerd en bespraken het ook nu, terwijl zij voor mijn werkplaats bleven staan. In den loop van het gesprek daagde Saad zijn vriend uit, zijn idee eens op de proef te stellen en stelde hem voor, met mij die proef te nemen. Hij was goed genoeg om te zeggen, dat ik hem een ijverig en betrouwbaar man toescheen, aan wien het bestede geld niet weggegooid zou zijn. Saadi verklaarde zich bereid en zoo kwamen dan de vrienden mijn werkplaats binnen en nadat zij gevraagd hadden, hoe ik heette en zich van mijn omstandigheden op de hoogte gesteld hadden, vroeg Saadi mij, of ik niet dacht, dat, zoo hij mij tweehonderd goudstukken gaf, ik het daarmede even ver zou kunnen brengen als de voornaamste van mijn gildegenooten. Ik wist natuurlijk niet, hoe ik het had, maar verzekerde hem, dat ik met een veel kleiner bedrag ook wel kans zag vooruit te komen. De edelmoedige Saadi echter stond er op, dat ik het genoemde bedrag zou aannemen en stelde het mij in een buidel ook dadelijk ter hand, waarna hij zich met zijn vriend verwijderde. Nu was ik, zooals dat met arme lieden gaat, bij al mijn blijdschap toch ook in verlegenheid, waar ik deze voor mij zoo groote som, veilig zou kunnen bergen. Na lang overleg besloot ik, het geld in mijn turban te stoppen, na er eerst tien goudstukken van af genomen te hebben. Daarmede wilde ik hennep koopen en ook een flink stuk vleesch, om mij met vrouw en kinderen eens te goed te doen. Ik ging er dus op uit, maar tóen ik van den slager terugkwam met het vleesch in mijn hand, schoot er een uitgehongerde sperwer op mij af, die mij het vleesch wilde ontrukken. Bij het

68