Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

794

Doof tuinen ombuigend naar N.W. en W\, daalden wij langs de drie hutten Bori naar de vallei der S. Tomèki, welke nog met nevels gevuld was. Het fraaie panorama naar het W. door en in de nauwe en diepe 'Koro-vallei, de diepe snede tusschen de zigzag in elkaar uitloopende, afgeronde, massieve en beboschte oevergebergten, was te veel in mist gehuld om gefotografeerd te kunnen worden. In het W.t.Z. viel nog eens de 1441 M. hooge bultvormige top op, aan welks voet, ruim 1200 M. dieper, de vernauwde Koro omboog van het N. naar het W. en N.W. Het rechter oevergebergte daalde in drie opvolgende ruggen met 400 helling naar de groote rivier af. Over het algemeen maakte de Koro-vallei in dit kleilei-terrein een meer geopenden indruk. Een 50 M. beneden Bori troffen wij nog eenige hutten met „doelangs", en door kreupelhout daalden wij langs de steile helling tot de S. Tomèki (+ 466 M.).

Dit heldere bergbeekje bevatte losse stukken blauwen en, in mindere hoeveelheid, grijzen kleisteen, alle met dunne kwartslaagjes, doch zonder travertijnhuid; vaste rots werd niet gezien.

Om een uitlooper heen klimmende tot ± 487 M., en langs een zeer glad pad dalende tot ±330 M., kwamen wij over de S. Tobialo, een klein beekje, waarin losse stukken kleilei (1412, gemetamorphoseerd, grauwblauw, vezelig-dungelaagd, met dikke witte kwartslagen en -lenzen, wrijvingsvlakken vertoonend, jong-cretaceïsch ?) omkorst met travertijn. Ook in het 100 meter verder omlaag stortende beekje was dit het geval. Het pad over de kleihellingen bleef zeer glibberig. Klapperboomen en bananen bleken nu opeens te zijn aangeplant te midden van het kreupelbosch. Deze aanplantingen waren in overeenstemming met de lagere berghoogten, waartoe wij waren afgedaald.

Opklimmend tot + 468 M., bogen wij om naar het N.W. evenwijdig aan de Koro, welke wij in de diepte hoorden bruisen, zonder haar door het bosch te kunnen zien. Dan daalde het pad weer naar een flinke bergbeek, de S. Bioera (± 434 M.) met helder water en groote blokken van kleilei met kwartslenzen, en voor het eerst weef van graniet (1413, groenachtigzwart en wit, grofkorrelig), en gneisgranodioriet (1414, fraai paarsachtigzwart en wit, grofkorrelig, door de d. m., meest biotiet, vrij duidelijk gelaagd) met een 3 c.M. dikke apliet-gang. De kleilei vormde de vaste rots, doch niet ver iri het N.O. moesten de kristallijne gesteenten aanwezig zijn.

Steil ging het nu naar het N.O. door het bosch en over de kwart-

Sluiten