is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sonder mirien here den grave weder in die Haghe bi mynre vrouwen der gravinnen ende vandaer soe voer een yghelic, daer bi hem best onthouden mochte." Aldus een aanteekening in de grafelijke tresoriersrekening. Kinderen het de graaf niet na en een onzekere toekomst opende zich voor Holland en Zeeland.

Literatuur: als bij de vorige §§. Voorts iets in Chronique de Jean le Bel (2 dln. uitg. d. Viard en Déprez, Par. 1904) dl. II; Chroniques de J. Froissart (11 dln. uitg. d. Luce en Raynaud, Par. 1869—'99) dl. UI; De Dynter, 'Chronica nobilissimorum ducum Lolharingiae et Brabanttae (— 1442, 3 dln., Brussel 1854—'60) dl. II, lib. 3; Ricits Sun bourgeois de Valenciennes (uitg. d. Kervijn d. Lettenhove Bruss. 1877). Oorkonden ook nog bij Devillers, Cartulaire d. comtes de Hainaut (6 dln. Bruss. 1881—'96) I (1337—'60); Blok, Oorkk. betrekkelijk Frieslanden sijn verhouding tot Frankr. (1275-1338; in De Vrije Fries XIX 317); Hulshof, Oorkk. aang. de betr. d. Celderscke vorsten tot Frankr- (1281 — 1538. Werken uitg. d. Gelre" IX, Arnh. 1912). Verder Hamaker, Rekeningen der grafelijkheid v. Holl. onder h. Heneg. huis (3 dln. 1875-'78 Werk. H. G., N. R. 21, 24, 26) dl. III.

Kunze, Die pot. SteUung der niederrhein. Fürsten »'. d. Jahren 1314—'34 (Gött. 1886); Stechele, England u. der Niederrhein bei Beginn der Regierung Eduards III, rj*7—'3f (W.deutsche Zs. XXVII, 98, 441); Waller Zeper a.w. (waar ook verdere Ut.).

III. PARTIJTWISTEN IN HET MIDDEN DER 14e EEUW.

§ 7. Het opkomen van een crisis (± 1345—'50).

In '43 de plotselinge dood van Reinoud II, in '45 het sneuvelen van Willem IV — onverwachts kwam er een leegte. Niet alleen in Holland en Zeeland en in Gelre en Zutfen, waar vrouwen met weinig talent en onvoldoende gezag een met schuld bezwaarden regeeringsboedel moesten beredderen, doch ook in het Sticht, dat tot een staatkundig sportterrein der beide naburige vorsten geworden was en zelfs in Friesland, waar men in vrees voor 'hun plannen geleefd had.

In Holland en Zeeland ontstond eerst een vacature: er was geen graaf, die regeerde, noch een in wiens naam geregeerd kon worden. Een tijd lang moesten de lagere overheden en de onderdanen zichzelf redden, maar dit ging niet zonder eigengerechtigdheid en ordeverstoring. Eduard III, die niet het oog op zijn continentale staatkunde Zeeland als erfdeel wenschte voor zijn vrouw Phihppa, begon daar betrekkingen aan te knoopen; een begeerte in de graafschappen om ongedeeld te blijven werkte weer in tegengestelde richting: Amsterdam, Woerden en Oudewater gaven te kennen, dat zij niet tot het Sticht wenschten terug te kee-