is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleef er alleen een Engelsche bezetting te Gibraltar.

De Nederlanders kwamen ook voor hunne eigen belangen meer op, eveneens in afwijking van Oranje's pohtiek, maar zij beperkten zich tot België. Hier gaven hunne aspiratiën en die der Engelschen en Oostenrijkers tot heel wat wrijving aanleiding. Met Marlborough, omdat deze noode de Nederlandsche gedeputeerden te velde, onder wie de Friesche staatsman Sicco van Goslinga, naast zich duldde en gaarne landvoogd van België zou zijn geworden, waartoe de Staten weigerden mede te werken. Met de Oostenrijkers, omdat dezen, die op België voor zich hoopten, het bestuur in de veroverde streken al vast in handen wilden nemen, terwijl de Nederlanders met het oog op de barrière, waarvan in het groot verbond van 1701 opnieuw sprake was, hierop zelf voorloopig den meesten invloed wenschten. Zij zetten dan ook hun zin door in zoo verre, dat een uit Belgen samengestelde Staatsraad met de regeering belast werd, maar onder toezicht van Nederlandsche gedeputeerden, o.a. den thesaurier-generaal (sedert 1699) Jacob Hop, bij wie later een Engelsen commissaris kwam, die dus eigenlij k de lakens uitdeelden en hiervan gebruik maakten, niet alleen ten bate van een aantal Nederlanders, maar ook, om het economisch overwicht van Nederland over België te versterken, v.n. door een voor het eerste land gunstig tarief van in- en uitvoerrechten. Het leek er op, of België een Nederlandsch wingewest zou worden. Zeer positieve wenschen aangaande de tot nu vrij vaag gedachte barrière voor de toekomst kwamen hierbij: bezetting van een zeer groot aantal vestingen door Nederlandsche troepen, te betalen op Belgische kosten. Zóó was het nu zeer ver reikende plan, dat op veel meer bescheiden schaal De Witt voor oogen gestaan had (hiervóór, p. 202) en dat zeer duidelijk het dubbele belang diende: België te maken tot een voormuur tegen Frankrijk en economisch zoo sterk mogelijk afhankelijk van Nederland.

Er scheen alle kans op te bestaan, dat de Nederlandsche staatslieden hunne wenschen ten volle zouden kunnen doorzetten. Frankrijk, zeer uitgeput, deed reeds in 1705, en opnieuw na Ranrilhes en weêr na Oudenaarden, vredesaanbfedingen van ruime strekking. Het wilde, zooals bij aan het Strijensche Sas en daarna te Bodegraven gevoerde onderhandelingen (1709) bleek, afstand doen van alle aanspraken op de Spaansche monarchie. Daarbij