is toegevoegd aan je favorieten.

De wet tot verruiming van het plaatselijk belastinggebied

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 Mei 1922, voorzoover zij' niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze wet.

Over de periode van 1 Januari 1921 tot 1 Mei 1922 kan, in plaats van de belastingen, vermeld in art. 240a1, e en ƒ der Gemeentewet op den voet der wettelijke bepalingen, welke te dien opzichte op 31 December 1920 golden, eene belasting naar het inkomen worden geheven door de gemeenten, welke reeds op laatstgemelden datum zoodanige belasting hieven.

§ III.

Door Ons kan, telkens voor eene periode van ten hoogste vijf jaren aan eene gemeente de bevoegdheid worden verleend, om in afwijking van de bepalingen van artt. 243* en 243A der Gemeentewet, de plaatselijke inkomstenbelasting door hare eigen administratie te doen heffen.

Wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt dan gelden de volgende bepalingen:

1°. de belasting wordt geheven met of zonder aangifte van de belastingplichtigen;

2°. waarschuwing en aanmaning, als bedoeld in art. 259 der Gemeentewet, vermelden noch het bedrag der belasting, noch dat van het inkomen;

3°. de gemeentebesturen zijn, met inachtneming van de ter zake door Onzen Minister van Financiën gegeven voorschriften, bevoegd om kosteloos inzage en afschrift te nemen, of door een of meer gemeenteambtenaren te doen nemen, van aanslagen in de Rijksinkomstenbelasting en van de opgaven, bedoeld in art. 106 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, zoomede met inachtneming van de, ter zake door Onzen met de uitvoering van de Ongevallenwet 1901 belasten Minister gegeven voorschriften, van de loonlijsten, bedoeld in art. 45 der Ongevallenwet 1901 of van de stukken, welke de werkgever ingevolge de bepalingen van een algemeenen maatregel van bestuur, als bedoeld in genoemd artikel dier wet, verplicht is te houden in plaats van de loonlijsten; een en ander voor zooveel betreft de gemeentelijke belastingplichtigen.

Bovendien kunnen de gemeentebesturen en de door dezen daartoe aan te wijzen gemeenteambtenaren de voor de heffing en invordering der belasting noodige inlichtingen vragen. De verstrekking van deze inlichtingen geschiedt volgens de voorschriften door Onzen Minister van Financiën vast te stellen en vindt slechts plaats voor zoover daardoor naar het oordeel van dezen Minister geen storing voor den dienst der Rijksbelastingen wordt teweeggebracht;

4°. de artt. 264, 265a, 2656 en 265J der Gemeentewet vinden overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: