is toegevoegd aan je favorieten.

De wet tot verruiming van het plaatselijk belastinggebied

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de herring der Rijksin komstenbelasting uitsluitend voor de binnen het land gevestigde natuurlijke personen gelden. Krachtens art. 243; zijn daarbij de bepalingen van hoofdstuk VII en hoofdstuk IX, onderdeel D, der wet op de Inkomstenbelasting 1914 van toepassing.

In de mogelijkheid, dat iemand in meer dan een gemeente bedrijfs- Art. 246e.

r • j ,1 .... . .... .. . Aanslag als

torens is, werd voor de laatste wijziging, niet op bijzondere wijze voorzien, toren* in Dit was ook minder noodig, omdat de forensenbelasting toen slechts eene geeen derde van den aanslag over een vol jaar bedroeg. Thans zou, werd geen voorziening getroffen, de belastingdruk voor hem, die in het bovenbedoelde geval verkeerde, onevenredig zwaar worden. Vandaar de bepaling van art. 245c. Is iemand, die te 's-Gravenhage hoofdverblijf heeft, te Alphen en Rotterdam' bedrijfsforens, dan betaalt hij, stel dat Alphen en Rotterdam beiden een gemeentelijke inkomstenbelasting heffen, in ieder van beiden % van den aanslag over een vól jaar. Hieven beide gemeenten opcenten op de Rijksinkomstenbelasting dan zou hij betalen Yi van het ter plaatse geheven aantal opcenten.

Een soortgelijke bepaling voor hem, die in meer dan eene gemeente woonforens of in eene gemeente woonforens, in eene andere bedrijfsforens is, wordt in de wet niet gevonden. In die gevallen is dus belasting voor meer dan 4/s wel degelijk mogelijk.

De oude wet bepaalde, dat de aanslag wegens hoofdverblijf naar tij'ds- Art. 244e. gelang zou geschieden. Thans is de regeling zoo, dat verhuizingen naar t\mg*. binnenslands gedurende den loop van het belastingjaar geen ontheffing Bnr' in de eene en aanslag in de andere gemeente tengevolge hebben. Wie te s-Gravenhage is gevestigd en zich b.v. met 1 Augustus te Apeldoorn gaat vestigen, blijft over het loopende belastingjaar in 's-Gravenhage aangeslagen. Anders is het, wanneer iemand, die tot den isten Augustus te s-Gravenhage woonde, naar het buitenland vertrekt. In dat geval geldt art. 265/, eerste lr*d, dat de bepalingen van hoofdstuk XIII der wet op de Inkomstenbelasting van toepassing verklaart. Op'de opcenten Rijksinkomstenbelasting is dit hoofdstuk reeds zonder uitdrukkelijke wetsbepaling van toepassing. Hij die zich, uit het buitenland komend, in een Nederlandsche gemeente vestigt, wordt volgens art. 244c aangeslagen voor het aantal maanden, dat het belastingjaar nog duurt.

De gemeentewet regelde in art. 245 oud alleen de' ontheffing ingeval ontheffingen, van vertrek. Aan de gemeente was vrijheid gelaten, in de verordening de gevallen aan te wijzen, waarin overigens ontheffing zou worden verleend. Thans is voor de plaatselijke inkomstenbelasting de gemeente