Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging zijn stem verloren. Eindelijk kwam de buggy voorrijden, Wongso er achterop.

Driftig beval hij den Javaan zijn regenjas te brengen, maar deze was in den donker niet zoo spoedig te vinden.

Eindelijk kwam Wongso er mede aanzetten. Boos, dat hij zoolang had moeten wachten, overspannen door den dreigenden toestand, gaf hij den Javaan een slag om het hoofd,, rukte hem de jas uit de hand, schoot die haastig aan, sprong in het rijtuig en reed ijlings heen.

Oogenschijnlijk had de inlander zich van de kastijding niets aangetrokken. Zonder een woord te zeggen, was hij weder naar binnen gegaan.

Het was al helder dag, toen de administrateur moe en doornat terugkwam. Met veel moeite was het gelukt het water te keeren. Tegen den ochtend had het opgehouden te regenen; de rivier rees niet meer.

Het voorgevallene met Wongso was hij al vergeten en kwam hem pas weder in de gedachte toen 's avonds na zonsondergang de lantarens op het erf door een ander dan Wongso, tot wiens vaste bezigheden dit behoorde, werden aangestoken.

„Waarom Wongso er niet was?" vroeg hij den inlander.

„Wongso sakit, toean!" (Wongso is ziek, mijnheer).

Het viel hem nu in, dat Wongso's ziekte wel eens in verband kon staan met den klap, dien hij hem wel wat onverdiend had gegeven.

„Weet jij ook wat Wongso scheelt?" vroeg hij zijn huisjongen.

„Korang priksa toean!" (dat heb ik nog niet onderzocht, mijnheer) zeide deze ontwijkend.

Sluiten