Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en verzuimd hem te eeren als een diergenen, wier beteekenis alle eeuwen door is erkend. De commentaren, die op zijn werk aangaande het „Recht van Oorlog en van Vrede" zijn verschenen, zijn even talrijk als nauwkeurig bewerkt en zijn bijna alle vergezeld van een uitvoerige beschrijving van zijn leven. De beste uitgaven van den oorspronkelijken tekst zijn die van Gronef, die er kostbare aanteekeningen bij leverde, en van Cocceji (1751) en Berbeyrac (1729), die het eerst gebruik maakten van de noten, in 1632 reeds door Grotius zelf aan zijn werk toegevoegd. Van de levensbeschrijvingen over Grotius mogen die van Luden (1806), Buttler (1826), de Vries (1827), Kreutzer (1846), Hartenstein (1850), Caumot (1862), Hély (1875) en Neumann (1884) genoemd worden; de uitgebreidheid dezer reeks doet reeds zien hoe hoog men de beteekenis van Grotius in verschillend opzicht heeft geschat. Tot de beste bewerkingen van zijn standaardwerk behooren die van Pradier-Fodéré (1867) die in de „Philosofische Bibliothek" door Von Kirchmann in 1869 te Berlijn gegeven, waaraan evenzeer een korte studie over Grotius' persoonlijkheid voorafgaat, die het voorrecht heeft, dat niet speciaal op een gedeelte der persoonlijkheid licht wordt geworpen, maar deze wordt bezien in haar algemeene, uitgebreide grootheid. Nauwelijks een jaar tevoren had Hamaker zich verdienstelijk gemaakt het onuitgegeven en zoo belangrijk geschrift over het buitrecht.een ieder bekend te maken. Wat bij al deze waardeering van Grotius' kennis en werken in zekeren zin ergernis geeft, is de gedachte, dat men dezen uitstekenden geleerde zoo weinig rust des geestes heeft gelaten, zoo in een kort tijdperk zijns levens slechts de gelegenheid heeft geschonken om in een omgeving en omstandigheden, die den geleerde pasten, op wetenschappelijk gebied voor zijn tijdgenooten te arbeiden. Men kan de gedachte niet van zich afzetten welke veel grooter diensten een denkersbrein als dat van Grotius aan tijdgenoot en nakomeling had kunnen bewijzen, indien men zich te zijner wille slechts over enkele persoonlijke vooroordeelen had heengezet en een man als Grotius anders had beschouwd dan anderen, gelijk hem toekwam. Men zou er toe komen om den

431

Sluiten