Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, hem telkens weer gezegd: de zaak der Nederlandsche vrijheid is ook Engeland's zaak. Die overtuiging was in den jongen Sidney mee opgegroeid, gepaard aan de vaste hoop, dat de bittere strijd tot zegepraal zou leiden, dat al dit lijden niet vergeef sch zou zijn. „Wat de Nederlanden betreft, waarlijk ik zie niet in, hoe het beter zou kunnen gaan. Want al staat dat overschoone land in vuurgloed, men moet bedenken, dat de Spanjaarden zonder zulk een brand niet verdreven kunnen worden.'' Dit schrijft hij aan Languet uit Venetië op 15 April 1574. Het was de dag zelf, nadat de jammerlijke slag bij Mook verloren was. Hoe treffend klinkt Sidney's diep terneergeslagen toon in den brief van 7 Mei, wanneer hij die ramp en daarmee den dood van zijn vriend graaf Lodewijk van Nassau heeft vernomen! Dienzelfden dag nog schreef hij ook aan zijn oom den graaf van Leicester over de ramp, en wat al de Spanjaarden zich van die victorie beloofden ; of de vrees wellicht in Engeland iets mocht uitwerken ten gunste van de Nederlandsche zaak.

De Nederlandsche oorlog heeft Sidney's geest letterlijk van jongsaf achtervolgd. Tot in zijn minnedicht klinkt tot tweemaal toe even het gedruisch van onzen vrijheidskamp op: hij wendt het aan als rhetorische figuur in een der Stella-sonnetten:

"How Holland hearts ■—■ now so good towns be lost.—■ Trust in the shade of pleasing Orange tree?"

Sluiten