Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In deze onderafdeeling wordt in den regel de dadap ketapan tot steun der peperranken gebruikt, daar de andere soorten hier weinig of niet voorkomen.

De stekken, die 2 a 3 d.M. lang zijn, en een diameter van 2 a 3 c.M. hebben, worden op een onderlingen afstand van 4 a 5 hasta (± 1,70 a 2,10 M.) uitgeplant, naar gelang de grond minder of meer.vruchtbaar is.

Het verdient aanbeveling de stekken direct, nadat zij van de moederplant zijn afgesneden, uit te planten. Men kan ze hoogstens 14 dagen bewaren, doch dan dient men er goed voor te zorgen, door ze te beschutten tegen de zonnestralen en ze in eene rechtstandige houding te plaatsen, met het worteleinde naar beneden. Het ruw omgaan met de stekken, waardoor de schors allicht beschadigd wordt, maakt dat zij spoedig ziek worden en afsterven.

Voor den aanplant worden de stekken aan het einde, waar de wortel zal moeten uitschieten, met een scherp mes driekantig aangepunt; dit geschiedt om aan elk vlak een wortel te doen uitspruiten, waardoor de boom stevig in den grond komt te staan.

Is men zoover gereed, dan worden de plantkuilen op de bovengenoemde afstanden gegraven. Men bezigt daarbij eene plantlijn, teneinde gemakkelijk den bepaalden afstand uit te kunnen zetten. De plantkuilen worden één djengkal (2) diep ingegraven en zorgvuldig van alle wortels ontdaan.

Op de tanah pantoen bezigt men dikwijls, een pootstok voor het maken der kuilen. Een dergelijke wijze van werken is echter minder aan te bevelen, daar allicht door de geringe wijdte van den zoo gemaakten plantkuil de schors der dadapstekken beschadigd wordt. Het planten heeft meestal in de vroegte plaats, de kuilen vult men weder losjes met zand aan.

Reeds spoedig beginnen de dadapstekken wortel te schieten en uit te loopen. Men laat haar ongemoeid groeien totdat de zijtakken zoo groot geworden zijn, dat zij eenige schaduw geven; dit is meestal na V/2 a 2 jaar het geval. De tijd is dan gekomen om de peper uit te planten.

Naar gelang van den groei van de jonge peperplant wordt de dadap gesnoeid, hooger dan 5 a 6 M. laat men de steunboomen niet opschieten, zoodra zij die hoogte bereikt hebben, worden zij getopt.

Óver het algemeen zijn de dadapstekken gemakkelijk te verkrijgen; de inkoopprijs bedraagt $ 1/2 a 6 soekoe de 1000 stuks. Zij worden door den peutoeha aan de anak kebon betaald.

Is de tuin eenmaal aangelegd, dan voorzien de zich daarin bevindende dadapboomen voldoende in de voor de uitbreiding van den aanplant benoodigde stekken.

Zooals hiervoren reeds werd opgemerkt, is goede en regelmatige af-

(1) Djengkal = span met den duim en den middelsten vinger, ongeveer V3 hasta = 4.14 c.M.

„ 1 «Klffl: _

Sluiten