Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

. de onteigenaars van den maatschappelijken rijkdom zelf onteigend worden door den staat, in welk geval het staatssocialisme voor de particuliere exploitatie in de plaats zou treden. Beheert en bestuurt dus de gemeenschap in haar vertegenwoordiging de monopolies, dan spreekt het vanzelf» dat de enorme voordeden ook weer aan die gemeenschap ten goede komen, dat niet langer enkelen bovenmatig weelderig kunnen leven van het tekort van tienduizenden.

De tegenwoordige reuzen-bedrijven, die op weg zijn naar het monopolie, geven nog maar den gang aan van de ontwikkeling van het groot-industrialisme. Daarmede is dus nog niet gezegd, dat de wereld-productie zich in één hand aan het concentreeren is.

Buiten de groot-bedrijven bestaan er nog een groot aantal middel- en kleinbedrijven, die óf nog jaren noodig zullen hebben, om tot wereldmonopolies uit te groeien, óf naar hun aard zich maar tot een beperkte hoogte kunnen ontwikkelen. Maar in de moderne productie voor de wereldwarenmarkt grijpen de bedrijven zoo in elkander, is het eene bedrijf zóó afhankelijk van het andere, dat ze ten slotte middellijk arbeiden voor het geconcentreerde groot-kapitaal. J Wie belangstelt in de onderworpenheid der klein-bedrijven ] yan het industriëele- en bankkapitalisme, leze het zeer interessante werk van Kart Kautsky over „Het Erfurter programma." ')

Uit dit alles blijkt van een groeien. Hoe die groei zich later tot in onderdeden zal ontwikkelen, vermag nu niemand te zeggen. Maar wél valt de lijn te trekken, in welke richting de wereldproductie zich aan het bewegen is, n.1. naar een planmatig geregelden maatschappelijken arbeid. Geleidelijk zal de gemeenschap in het bezit der productiemiddden geraken en geleidelijk de bedrijfsleiding in handen nemen.

') Vert. door C. v. Gelder. Uitg. S. L. v. Looy, Amsterdam.

Sluiten