Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vóór 1848 werd de Tweede Kamer verkozen door de Provinciale Staten, na 1848 door kiezers, bij de wet aangewezen, en wel rechtstreeks, dus zonder trappen. De eerste kieswet dateert van 1850. Van 1848—1850 heeft een voorloopig kiesreglement gegolden, dat in de grondwet van 1848 zelf was opgenomen.

Deze grondwet bond den wetgever te veel, door het kiesrecht vast te koppelen aan den census. Zij bepaalde o.a. dat kiezers zouden zijn, zij, die waren meerderjarige ingezetenen, Nederlanders, in het volle genot der burgeren burgerschapsrechten en betalende in de directe belastingen een som, die overeenkomstig de plaatselijke gesteldheid, doch niet beneden het bedrag van ƒ20.—, noch boven dat van ƒ160.—, in de kieswet zou worden vereischt. Uit de staatkundige geschiedenis blijkt, dat men met deze bepaling voor oogen niet tot een goede regeling kon komen.

Ons art. 80, dat zeer rekbaar is en daarom wel genoemd wordt het caoutchouc-artikel, dateert van 1887. Minister Heemskerk heeft bij de totstandkoming ervan verklaard, dat het algemeen kiesrecht uitsluit. Algemeen kiesrecht stelt men tegenover beperkt kiesrecht. Het algemeen kiesrecht gaat uit van het beginsel, dat allen het kiesrecht hebben, behalve degenen, die om bepaalde noodzakelijke redenen van dat recht zijn uitgesloten; beperkt kiesrecht daarentegen gaat uit van het beginsel, dat alleen zij het kiesrecht hebben, die aan zekere vereischten voldoen. Door evenwel bij beperkt kiesrecht die eischen zeer laag te stellen, kan men het algemeen kiesrecht zeer dicht doen naderen.

In 1892 werden door Minister Tak van Poortvliet wetsvoorstellen, ter uitvoering van art. 80, ingediend, die in 1894 door een gewijzigd wetsontwerp vervangen werden»

Sluiten