Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit ontwerp eener kieswet, dat aan meer personen het kiesrecht toekende, dan de tegenwoordige doet, werd ingetrokken, nadat een amendement-De Meyier, hetwelk het ontwerp op een van de hoofdpunten aantastte, was aangenomen. Kort daarop werd de Tweede Kamer ontbonden, en toen de verkiezingen voor het Ministerie ongunstig uitvielen, vroeg dit ontslag en trad het Ministerie Roëll—v. Houten op. Onder dit Ministerie is in 1896 een ontwerp-Van Houten wet geworden (wet van 7 Sept. 1896, Stbl. 154). Tot de inwerkingtreding dezer wet heeft ook weer gegolden een voorloopig kiesreglement, in de grondwet van 1887 zelf opgenomen (add. artt.).

Kenteekenen van geschiktheid en Tnaatschappelijken welstand. Oorspronkelijk verklaarde de Regeering in 1887, dat de wet, zoowel kenteekenen van geschiktheid als kenteekenen van maatschapperijken welstand moést aanwijzen en dat de kiezers dan slechts één dier kenteekenen behoefden te bezitten, doch naderhand heeft zij zich weer niet volkomen aan die verklaring gehouden. De bepaling is ook zoo te interpreteeren, ;dat de kieswet één soort van kenteekenen moet aanwijzen, n.1. van geschiktheid en maatschappelijken welstand, en in dien zin heeft ook de wetgever van 1896 haar verstaan.

Art. 1 jo art. 2 der kieswet wijzen aan, wie het kiesrecht hebben.

Men kan onderscheiden 1» kiezers (belastingkiezers) en lb kiezers, die weer te verdeelen zijn in: woningkiezers, loonki'ezers, grootboek- en spaarbankkiezers en examenkiezers.

Den leeftijd heeft de wet gesteld op 25 jaar. § 1 der Kieswet regelt, welke de vereischten zijn om het kiesrecht te kunnen hebben. Hierbij heeft de wet in

Sluiten